De Bijbel | Broer te koop

BIJBEL MOLOVICH

Zeven jaar geleden begon ik op Panzerfaust de Bijbel Lees Sessies. De hoogste tijd om de draad weer op te pikken. Maar voordat ik dat doe, even alle afleveringen tot nu toe. Dit is aflevering 19.

Wie ergens ver voor Christus als nomade in de woestijn leefde, was nooit zeker of de volgende oogst wel zou lukken, kon er nooit van op aan dat hij de volgende dag zijn kudde schapen wel van water kon voorzien, liep elk moment van de dag het gevaar overvallen te worden door een moordzuchtige roversbende of een vraatzuchtige roofdier. Wie in die tijd op die plek leefde, wil ik maar zeggen, had het niet makkelijk. En deze mensen, voor wie het lot even onvoorspelbaar als consequent ongunstig was, hadden vanzelfsprekend niks aan een rechtvaardige, liefdevolle God om de mysteriën van het leven te verklaren. Nee, zij hadden een redeloze, wraakzuchtige en genadeloze God nodig. Een God die snel op Zijn teentjes was getrapt. Een God die jou zomaar verschrikkelijk kon straffen zonder dat je ook maar iets fout had gedaan. Een God die er genoegen in schiep om niet jou, maar dat oervervelende, betweterige broertje van je tot Zijn lieveling te maken.

Met zo’n God hadden de zonen van Jacob te maken. En dat betweterige, bloedirritante broertje, was Jozef. Jozef, zo kunt u zich vast nog herinneren, was de eerste zoon die Jacob bij Rachel verwekte. Rachel was de lievelingsvrouw van Jacob, en het mag daarom niet verwonderen dat Jozef Jacobs lievelingszoon werd. En Jozef speelde deze rol met verve. Er lopen wat achterbakse kweeperen rond in dit eerste hoofdstuk van het Oude Testament, maar Jozef spant wat mij betreft de kroon. Het prototype van het beste jongetje van de klas. Laat werkelijk geen kans ongemoeid om zijn broers zijn superioriteit in te wrijven.

Zodra Jozef zijn broers van enig mismanagement aangaande de schapenhouderij verdenkt, verklikt hij dit zonder aarzeling aan zijn vader. In plaats van een berisping dat klikken een bezigheid van lafaards is, krijgt hij een prachtig geweven gewaad van zijn vader. Gekleed in dit gewaad, vertelt hij vervolgens aan zijn broers dat hij droomde hoe zij allen schoven aan het binden waren op het veld. En dat op een gegeven moment de schoven van de broers zich rond de schoof van Jozef verzamelden en voor haar neerbogen. In een andere droom, zo vertelt hij glunderen van eigengeilheid, buigen de zon, de maan en elf sterren voor Jozef neer. De woede om zoveel misplaatste arrogantie stapelt zich op in de hoofden van de broers. Hoe durft iemand zo schaamteloos zijn voorkeurspositie te exploiteren? Hoe haalt iemand, die gezegend is met de gunst van zowel zijn vader als die van zijn God, het in z’n hoofd zijn eigen bloed zo achteloos te minachten, ja zelfs te vernederen?

En zo kwam het, op een kwaaie dag tijdens het weiden van de schapen, dat de broers van Jozef hun jongste broertje voor twintig zilverlingen aan een Medianitische handelaar verkochten. Aanvankelijk wilden ze hem eigenlijk zelfs vermoorden, maar daar stak de oudste broer, Ruben, een stokje voor. Nadat ze Jozef aan de Medianiet hadden verkocht, besmeurden de broers het speciaal voor Jozef geweven gewaad met het bloed van een geitenbok. Het bebloede gewaad lieten zij aan hun vader zien, suggererend dat zijn lievelingszoon door een wild dier was afgeslacht. Jacob, zoals te verwachten, was ontroostbaar en gaf aan te rouwen totdat hij zelf het rijk der doden zou betreden. Ondertussen werd Jozef in Egypte verkocht aan Potifar, een hoveling van de Farao.

(Op dat punt wordt het verhaal van Jozef even onderbroken door het verhaal van Juda, de vierde zoon van Jacob. Juda trok weg van zijn broers en werd verliefd de dochter van een Kanaänitische man. Zij baarde Juda drie zonen: Er, Onan en Sela. Een aantal jaar later vindt Juda een geschikte vrouw voor Er, Tamar genaamd, van wie hij het een en ander aan nakomelingen verwacht. Er had echter om onduidelijke redenen de woede van God op zich gelaten, en stierf vroegtijdig aan een ongetwijfeld verschrikkelijke ziekte. Juda richtte zijn hoop op nakomelingen op Onan, die hij opdroeg om zijn broedertaak te vervullen en met de vrouw van Er te trouwen om bij haar het gewenste nazaat te verwekken. Onan doet wat hem gevraagd wordt, maar toch niet helemaal: “Maar Onan wist, dat het nakroost hem niet zou toebehoren, daarom, zo vaak hij tot de vrouw van zijn broeder kwam, verspilde hij het zaad op de grond (…) En het geen hij gedaan had, was kwaad in de ogen des Heren, en Hij doodde ook hem.” (Gen. 38:9-10) Zie hier de oorsprong van het woord onaneren.)

(Nu heb ik zelf ook nogal eens mijn zaad verspild, vooralsnog heeft dit geen dusdanige toorn bij God gewekt dat ik deze verspilling met mijn leven heb moeten bekopen. Of dit komt doordat God wat milder is geworden in de loop der jaren, of doordat Hij zich van ons heeft afgekeerd, laat ik graag in het midden.)

(Het verhaal van Juda krijgt nog een staartje. Op een dag wordt zijn pad gekruist door een vrouw, die hij voor een hoer houdt. Juda, enigszins in de war door het verlies van twee zonen, verschaft zich de toegang tot haar geheime opening. Hij betaalt met zijn zegelring, zijn staf en wat sierraden. Drie maanden later krijgt hij het bericht dat zijn schoondochter Tamar, de weduwe van zijn beide zoons, hoererij heeft bedreven en tijdens deze werkzaamheden is bezwangerd. Lichtgeraakt als men in die dagen was, geeft Juda opdracht haar te verbranden. Maar dan krijgt hij een pakketje thuisgestuurd, met daarin zijn oude zegelring en het bericht dat de oorspronkelijke eigenaar van de zegelring degene is geweest die Tamar zwanger heeft gemaakt. Tamar schenkt haar schoonvader vervolgens een tweeling: Perez en Zera.)

Terug naar Jozef. Het ijdele kweepeertje mag dan wel door zijn broers in de steek gelaten zijn, de Here heeft dat niet. In Egypte begon het al snel op te vallen dat Jozef het geluk aan zijn kont heeft kleven zoals dikke behaarde mannen die niet bij machte zijn hun hol af te vegen stront. Dientengevolge heeft Jozef het reeds tot Hoofd Huishouden van zijn meester weten te schoppen. Werkelijk elke beslissing aangaande zijn huis, laat Potifar aan Jozef over. Het enige waar Jozef niks over te zeggen heeft, is Potifars vrouw. En laat het nu net deze vrouw zijn die haar oog heeft laten vallen op Jozef. Zoals het de rechtschapenheid zelve betaamt, gaat Jozef niet in op de avances van zijn meesters vrouw. Tot haar grote ongenoegen. Helaas voor Jozef zijn vrouwen, en zeker dit soort vrouwen, nu eenmaal niet in staat het bij een dergelijke afwijzing te laten zitten. De aantrekkingskracht wordt alleen maar groter, de begeerte zuigt, de prooi moet veroverd. Maar Jozef laat zich niet veroveren, en zodra de vrouw hem in de val heeft laten lopen, ontdoet Jozef zich van zijn kleed en zet het op een lopen.

Zoals te verwachten draait Potifars vrouw het verhaal om, door Jozef van verkrachting te beschuldigen. Tot grote woede van de goedgelovige Potifar, die van mening is dat zijn vertrouwen geschonden is: “En Jozefs heer greep hem en wierp hem in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gevangen zaten. Zo kwam hij daar in de gevangenis.” (Gen. 39:22) Ook in de gevangenis wijkt de Here niet van Jozefs zijde. Al snel wint Jozef het vertrouwen van de cipiers die Jozef de leiding over de gevangenen geven.

2 responses

  1. Hou de telling van de afleveringen in de gaten. Dit is aflevering 19 niet 17.
    Verder zijn mijn familie, en ik, zeer te spreken over deze manier van naar de bijbel kijken en genieten we ervan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *