De Bijbel | Worstelen met God

BIJBEL MOLOVICH

Zeven jaar geleden begon ik op Panzerfaust de Bijbel Lees Sessies. De hoogste tijd om de draad weer op te pikken. Maar voordat ik dat doe, even alle afleveringen tot nu toe. Dit is aflevering 17.

Worstelen met God, dat doet een mens niet elke dag. Ik in ieder geval niet. Of toch niet letterlijk. Overdrachtelijk gezien, is het misschien het oergevecht. Maar ook dat heb ik nooit hoeven aangaan, voor zover ik mij kan herinneren. Daarvoor heeft het leven mij, tot nog toe, iets te uitbundig toegelachen. Nee, u leest hier de woorden van een opgeruimd en over het algemeen gelukkig man, die nog geen noemenswaardige tegenslag heeft meegemaakt. Het leven gaat mij vrij gemakkelijk af, tot nu toe is het een kwestie van blijven ademen, vriendelijk glimlachen wanneer de situatie daarom vraagt, en altijd goed naar links en naar rechts kijken, en dan nog een keer naar links, voordat je oversteekt. Voor Jakob, de zoon van Isaäk, de zoon van Abraham lag dat iets anders.

Alhoewel. Zoals in de vorige aflevering van de Bijbel Lees Sessies te lezen valt, had Jakob het eigenlijk niet eens zo slecht. Hij had een mooie vrouw (Rachel), en hij had een lelijke vrouw (Lea), en allebei gaven ze hem kinderen, en allebei gaven ze hem hun slaaf om kinderen bij te verwekkken. Alleen, die beide vrouwen waren zusters van elkaar, en hadden een vader, Laban genaamd, die Jakob met een reeks wurgcontracten met moeilijk te lezen lettertjes jaren voor zich liet werken. Hij stond echter wel toe dat Jakob zijn eigen kudde samenstelde uit het vee dat gevlekt en gespikkeld ter wereld kwam. Omdat Jakob God aan zijn zijde had, bleek ineens alleen het gevlekte en gespikkelde vee levensvatbaar. En al snel had Jakob een flinke kudde voor zichzelf, en had Laban zo goed als niets meer, op een paar schurftige geiten na.

Men hoeft niet over veel verbeeldingskracht te beschikken, wil men begrijpen dat Laban, en vooral ook diens zonen, deze nieuwe situatie niet echt kon waarderen. In een tête-a-tête raadt God Jakob aan om, met zijn kudde, vrouwen en kinderen terug te keren naar het land van zijn vader. Jakob legt dit aan zijn vrouw Rachel voor en op het moment dat Laban een van zijn schurftige schapen scheert, vluchten ze weg. Zij het niet voordat Rachel, uit de slaapkamer van haar vader, een zogenaamde terafim stal. (Een terafim, zo zal niet veel later blijken lieve lezers, is een god. Niet De God, maar een god. Of beter gezegd: een naar het evenbeeld van de mens gevormd sculptuurtje dat enig geluk heeft gebracht in het verleden en daardoor aanbeden wordt door de bezitter ervan. Een afgod dus. En hoewel het nog een aantal eeuwen zou duren voordat Mozes zich de Tien Geboden liet dicteren, had God ook toen al een broertje dood aan afgoden. De Tien Geboden zijn immers eeuwig, en bestonden al lang voordat ze in de Stenen Tafelen gelaserd werden. Niemand kende ze alleen. Behalve God zelf natuurlijk.)

Als Laban er drie dagen later achterkomt dat Jakob is gevlucht met zijn dochters, zijn vee (technisch was het niet zijn vee natuurlijk, maar emotioneel wel) en zijn terafim, en hij in woede uitbarst, maakt God hem duidelijk dat hij het niet moet wagen Jakob ook maar één haar te krenken, mocht hij hem te pakken krijgen. Desondanks gaat Laban Jakob achterna, en als hij hem ingehaald heeft, vertelt hij dat hij Jakob niks zal aandoen, het enige wat hij wil, is zijn terafim terug. Jakob is zich echter van geen kwaad bewust, en biedt Laban aan om alle tenten te doorzoeken naar het afgodsbeeldje. Als Laban in de tent van Rachel is aangekomen, verontschuldigd deze zich dat ze niet op kan staan, aangezien het haar gaat ‘naar de wijze der vrouwen.’ Rachel zegt dus dat haar ongesteldheid de reden is dat ze niet op kan staan. De Sherlock Holmes in u heeft gelijk door dat Rachel op die terafim ziet, maar Laban is u niet, en al zeker niet Sherlock Holmes.

Jakob heeft er vervolgens genoeg van en valt tegen Laban uit. Dat het nergens op slaat om vals beschuldigd te worden, dat hij niks heeft gedaan, behalve twintig jaar hard werken, terwijl dat er aanvankelijk maar zeven zouden zijn. Afijn, eindelijk komt het er allemaal uit, als een tsunami van frustratie. Laban antwoordt dat hij Jakob nooit iets in de weg heeft gelegd, dat hij hem onderdak heeft gegeven, en zijn dochters, dat hem zijn vee is ontnomen, en dat hij, verdomme nog aan toe, toch op z’n minst afscheid van zijn dochters had mogen nemen toen ze hem verlieten. En zoals wel vaker: als alles is uitgepraat, kan de verzoening beginnen. Men brengt een berg stenen bijeen, stelt een flinke maaltijd samen, en spreekt af elkaar niet meer lastig te vallen. En dat is dat.

De volgende dag neemt Laban afscheid van zijn kinderen en scheiden de wegen. En dan krijgt Jakob het benauwd. Want hoe zou Esau, zijn broer, inmiddels over hem denken? Jakob had hem immers belazerd door vaders zegen, die eigenlijk voor Esau bestemd was, in ontvangst te nemen. Jakob zendt alvast wat boden vooruit om te zien hoe de gemoedstoestand van Esau is. Als de boden terugkomen, moet Jakob tot zijn schrik vernemen dat Esau hem met vierhonderd man tegemoet aan het komen is. De angst slaat in. Jakob verdeelt zijn gevolg in tweeën, zodat tenminste niet iedereen vernietigd zou worden. En hij smeekt God hem te beschermen, al is hij eigenlijk te min om Gods bescherming te verdienen. En hij herinnert God eraan dat Hij hem een nageslacht had beloofd, zo talrijk als de zandkorrels in de zee. Om zijn broer te temperen stuurt hij alvast, bij wijze van verzoeningsgeschenk tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, dertig kamelen met hun veulens, veertig koeien en tien stieren, dertig ezels en een handvol slaven. Jakob doet er, kortom, alles aan om het lot gunstig te stemmen.

Maar zijn angst neemt niet af. De hele nacht ligt hij wakker, stelt hij zich voor hoe zijn veel sterkere broer, die oermens, dat brok testosteron, gehakt van hem maakt. Midden in de nacht roept hij zijn vrouwen, zijn slavinnen en zijn elf zonen bij elkaar en brengt hen alvast naar de overkant van een rivier. Jakob blijft alleen achter, en dan gebeurt het: “En een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak.” (Gen. 32:24) Die man, zo wordt algemeen aangenomen, is God. Maar in de tekst zelf wordt dat een beetje in het midden gehouden.

De worsteling blijft onbeslist, als om Jakob een goed gevoel te geven over de uitkomst van een eventueel gevecht met zijn broer. Aan het eind rukt de man nog wel de heup van Jakob uit de kom, als om te laten zien dat Jakob zich nu niet onaantastbaar moet wanen. “Toen zeide hij: ‘Laat mij gaan, want de dageraad is gekomen.’” (Gen. 32:26) De ‘hij’ die vraagt om te worden losgelaten, is de man met wie Jakob worstelde. Merk op dat ‘hij’ hier niet met een hoofdletter geschreven wordt. Jakob vraagt naar zijn naam, maar de man wil die niet vertellen. De man zegt alleen: “Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want gij hebt gestreden met God en mensen, en gij hebt overmocht. Daarop vroeg Jakob: Zeg mij toch uw naam. Maar hij antwoordde: Waarom vraagt gij toch naar mijn naam? En hij zegende hem daar.” (Gen. 32:28-29) Waarop Jakob zelf tot de conclusie komt dat hij God heeft gezien “van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven.” (Gen. 32:30)

Met wie heeft Jakob hier gevochten? Was het inderdaad God, zoals Jakob zelf dacht? Of was het een engel? Of was het de duivel, die nog niet eerder zijn opwachting maakte, behalve als slang in het Paradijs? Of was het eenvoudigweg Jakobs eigen angst waarmee hij worstelde? We zullen het nooit weten. Dat de man zijn naam niet wil noemen, zou er op kunnen wijzen dat het hier inderdaad God betrof, met Wiens naam immers uiterst voorzicht moet worden omgesprongen. Wellicht ook door Hemzelf, wanneer Hij Zich in het stoffelijke omhulsel van een mens heeft gehesen. Het zal pas duren tot Mozes eer God aan Zijn volk onthult dat hij graag JHWH genoemd wil worden, dat in mijn vertaling overigens als de HERE vertaald wordt. (Exodus 3:15)

Maar goed. Feit is wel dat Jakob zijn angst om Esau te ontmoeten overwonnnen heeft, en bereid is de confrontatie aan te gaan. Hij zoekt zijn gezin op, stelt ze op in rotten van vier, en loopt zelf voor de groep uit. Voordat Esau bij hem is, buigt Jakob zeven maal voorover, om zijn nederigheid en schuldgevoelens over te brengen. Maar alle angst blijkt voor niets te zijn geweest: “Esau snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem, en zij weenden.” (Gen. 33:5) Een ontroerend weerzien. En een bewijs dat het eigenlijk geen enkele zin heeft om iets te vrezen wat nog niet heeft plaatsgevonden. Maar begrijpelijk is het natuurlijk wel. Tenminste, dat vind ik, die ook niet zo van de confrontaties is.

Al snel gaan Esau en Jakob weer hun eigen weg. Jakob koopt een stuk land, richt een altaar op en noemt dat: “De God van Israël is God.” (Gen. 33:20)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *