De bijbel | De broedertwist

BIJBEL MOLOVICH

Zeven jaar geleden begon ik op Panzerfaust de Bijbel Lees Sessies. De hoogste tijd om de draad weer op te pikken. Maar voordat ik dat doe, even alle afleveringen tot nu toe. Dit is aflevering 15.

Het wat nichterige moederskindje dat de robuuste, niet al te intelligente lieveling van vader te slim af is. Het is een gegeven dat mij nogal bekend voorkomt. Helaas, nu ik mijzelf gedwongen heb erover na te denken, wil geen enkel voorbeeld in mijn herinnering naar boven borrelen. Mocht u zich wel enige voorbeelden kunnen herinneren, gelieve dat even in de reactieruimtes te melden. Maar dat terzijde. Ik wil het hebben over Esau en Jakob, de zonen van Isaäk, de man die ooit door zijn vader op het altaar gelegd was, klaar om afgeslacht te worden.

Esau is woest, rossig, wild behaard en blijkt reeds op achtjarige leeftijd in staat een volwassen hinde dood te schreeuwen. Jakob is ziekelijk bleek, lichtgeraakt, komt niet graag buiten en kent het volledige oeuvre van Judy Garland uit het blote hoofd. Zijn moeder is dol op hem, zijn vader kan ‘m niet luchten. We bevinden ons hier in een tijd dat ouders nog niet de behoefte kenden hun kinderen wijs te maken dat ze van alletwee echt even veel houden. Neen, er wordt geen mogelijkheid onbenut gelaten om duidelijk te maken naar wie de voorkeur uitgaat.

Esau en Jakob zijn een tweeling. Esau baande zich op eigen kracht een weg naar buiten, Jakob hield zich aan de enkel van zijn broer vast. God voorspelde dat de schoot van Rebecca, de vrouw van Isaäk, twee naties zou herbergen. De ene natie zou sterker zijn dan de ander, en de oudste zou de jongste dienstbaar wezen. Om ons te tonen wat voor man Esau was, beschrijft de bijbel hoe Esau op een dag thuis komt van een lange dag jagen, en een dusdanige honger en dorst heeft dat hij bereid blijkt zijn eerstgeboorterecht aan zijn broertje te geven in ruil voor een eenvoudige maatlijd. Wat het eerstgeboorterecht precies inhoudt, wordt er niet bij verteld, maar persoonlijk vind ik het niet bepaald klinken als iets waar je lichtzinnig mee omgaat.

Niet veel later blijkt er een hongersnood uit te breken in het land waar Isaäk en z’n familie zich ophielden. Ondanks alle beloftes van de Heer zit het onze vrienden nog steeds niet echt mee. Isaäk gaat met zijn gezinnetje naar Gerar, waar Abimelech woont, koning der Filistijnen. Tegen de mannen in Gerar vertelt Isaäk dat Rebecca zijn zuster is, precies hetzelfde smoesje dat Isaäks vader Abraham ooit gebruikt had in het land van Abimelech. Net als zijn vader handelt Isaäk hierbij uit de vrees dat de mannen in Gerar, barbaars als hij vermoed dat ze zijn, hem zullen doden wanneer zij in de gaten zullen krijgen dat die begeerlijke Rebecca zijn vrouw is. Als Abimelech niet veel later in de gaten krijgt hoe de vork in de steel zit, flikkert hij ter plekke van zijn stoel. Dit had hij al eens eerder meegemaakt. Toen was hij er, op een haar na, goed van afgekomen. Zo stamvader zo zoon, zullen we maar zeggen.

Mijn vermoeden is dat Isaäk met deze actie niet bepaald het respect van zijn vrouw Rebecca had weten te winnen. Ik denk zelfs dat zij woedend was om de lafheid van haar man. Het mag dan ook geen verbazing wekken dat ze op wraak zint. Op een dag hoort ze hoe de inmiddels oude Isaäk op zijn sterfbed zijn lievelingszoon Esau bij zich roept en hem opdraagt om het veld in te gaan en een stuk wild te schieten, dat te bereiden zoals hij het graag heeft en hem dat aan zijn bed te komen brengen zodat hij hem kan zegenen. Wanneer Esau als een jonge labrador (sympathiek, maar dwaas) de plaggenhut uitrent om aan zijn vaders wens te voldoen, roept de sluwe Rebecca Jakob bij zich en draagt hem op om naar het veld te gaan, twee bokjes mee te nemen, opdat zij het kan bereiden zoals vader het graag wilt. Jacob moet dan met het maal naar Isaäk die smakelijk van het gerecht zal eten en hem, Jakob, zal zegenen in de veronderstelling dat Jacob Esau is. Jakob werpt op dat hij ontmaskerd zal worden zodra zijn vader hem zal vragen om diens handen in de zijne te leggen. De handen van Esau zijn immers knokig en behaard, de handen van Jakob zacht en glad als een mango. Maar ook daar heeft Rebecca wat op gevonden: mocht Isaäk om de handen van zijn zoon vragen, dan hoeft Jakob hem enkel de bokkenpootjes aan te reiken.

Dit plannetje, zo doorprikbaar als een condoom waarbij je een cactus cadeau krijgt, werkt nog ook. Hoewel Isaäk zijn twijfels heeft (met name de stem van Jakob, die vele male ieler en verwijfder is dan die van Esau, brengt hem in verwarring), lukt het Jakob vrij gemakkelijk om zijn vader te overtuigen: “En hij zeide: zijt gij inderdaad mijn zoon Esau zelf? En hij zeide: ja.” (Gen. 40:25) Isaäk laat zijn zoon tot zich komen en kust hem en zegent hem door hem te beloven dat volken hem zullen dienen en natiën voor hem zullen nederbuigen. Isaäk belooft dat zijn zoon zal heersen over zijn broeders. En wie hem vervloekt zal zelf vervloekt worden en wie hem zegent zal zelf gezegend zijn.

Eens te meer blijk je zuinig te moeten omspringen met het geven van je zegen. Als Esau even later thuiskomt, een gerecht voor zijn vader klaarmaakt en dat aan zijn vader komt brengen, moet hij tot zijn verbijstering vernemen dat zijn broer hem voor is geweest. Het is een dramatische scène, die waarin Isaäk aan Esau vertelt dat hij voor hem geen zegen meer over heeft. Esau valt op zijn knieën en schrijt hemelwaarts en dan tot zijn vader. Blijf het echt bij die ene zegen? Heeft u er niet nog eentje over, heel misschien, als het niet te veel gevraagd is? Maar tot zijn spijt moet Isaäk zijn oudste zoon mededelen dat hij er zojuist hoogstpersoonlijk voor heeft gezorgd dat Esau gedoemd is zijn broeder te dienen. Eigenlijk dus precies zoals God voorspeld had: de oudste zou de jongste dienen. Kennelijk dacht Isaäk een stokje voor Gods plannetje te steken door er met een zegen voor te zorgen dat zijn lievelingszoon degene zou zijn die over zijn broer zou heersen. Maar het mocht niet baten. Juist door het lot te willen dwarsbomen, heeft Isaäk het tot uitvoer gebracht. Zelfs als je denkt dat je Hem tuk hebt, blijkt Hij toch weer Zijn wil te hebben doorgedrukt. Er valt eenvoudigweg niet aan te ontkomen.

Alleen dit wil Isaäk zijn lievelingszoon meegeven: “En het zal geschieden, wanneer gij u krachtig inspant, dat gij zijn juk van uw hals zult afrukken.” (Gen. 27:40). Waarna Esau op wraak zint en Jakob naar Mesopotamië vlucht om een vrouw te vinden.

One response

  1. In de Bijbel was er ook een bepaalde vorm van broedertwist waarbij een gewetenloze machtswellusteling vreselijk zou gaan huishouden onder zijn (half)broers om zelf koning te kunnen worden en dat was Abimelech!
    En dat op een gegeven moment die verdorven koning en zijn onderdanen uiteindelijk op een keer elkaar gaan vernietigen zal dit bijbelse verhaal uitwijzen:

    Abimelech – Rechters 9

    Abimelech, de zoon van Gideon en diens bijvrouw, ging na de dood van zijn vader naar de broers van zijn moeder in Sichem. Hij zei daar tegen hen: “Praat er eens met de bewoners van Sichem over wat beter is. Dat 70 mannen over jullie heersen, namelijk alle zonen van Gideon, of dat één man over jullie heerst, namelijk ik? Bedenk tenslotte dat ik één van jullie ben.”
    Zo stookten zij de bewoners van Sichem op, zodat ze het inderdaad beter vonden dat Abimelech, een gewetenloze machtswellusteling, over hen zou gaan heersen. “Hij is immers één van ons,” zeiden ze.
    Ze gaven Abimelech hierna 70 zilverstukken cadeau uit de tempel van Baäl-Berit. Daarmee huurde hij een stel gewetenloze en moordlustige mannen in. Hij ging toen met zijn bende naar het huis van zijn vader in Ofra. Daar doodde hij op één steen al zijn 70 (half)broers, alle zonen van Gideon, opdat hij zijn macht niet met hem hoefde te delen. Alleen de jongste zoon Jotam bleef over, want hij had zich goed verborgen.
    Daarna kroonden de bewoners van Sichem en Bet-Millo de gewetenloze Abimelech tot koning. Dat gebeurde bij de grote eik van Sichem ofschoon een Richter door God zelf wordt gekozen en dus niet de macht mag grijpen.

    Toen Jotam dit hoorde werd hij zeer vertoornd, en ging hij veilig op een rots bij de berg Gerizim staan om de moordenaars van zijn (half)broers toe te spreken en hierna een vreselijke vloek over hen uit te zaaien!
    Daar riep hij naar hen toe : “Luister naar mij, bewoners van Sichem, dan zal God naar jullie luisteren opdat jullie ooit deden. Op een keer gingen de bomen in Israël erop uit om een koning voor zich te zoeken. Ze zeiden hierna tegen de olijfboom: ‘We willen graag dat jij onze koning wordt!’
    Maar de olijfboom antwoordde: ‘Nee hoor! Moet ik anders soms ophouden om jullie olie te geven, de olie waar ik juist zo om gewaardeerd word, alleen omdat jullie zo graag willen dat ik jullie koning word? Dat doe ik beslist niet.’
    Toen zeiden de bomen hierna tegen de vijgenboom: ‘Wees jij dan onze koning!’ Maar ook de vijgenboom antwoordde op zijn beurt: ‘Nee hoor! Moet ik anders soms ophouden om mijn heerlijke zoete vruchten aan jullie te geven, alleen omdat jullie zo graag willen dat ik jullie koning word? Dat doe ik zeker niet.’
    Toen zeiden de bomen tegen de wijnstruik: ‘Wees jij dan graag onze koning!’ Maar de wijnstruik antwoordde eveneens: ‘Nee hoor! Moet ik dan soms ophouden om mijn wijn aan jullie te geven, de wijn die iedereen vrolijk maakt, alleen omdat jullie zo graag willen dat ik jullie koning word? Dat doe ik absoluut niet.’
    Toen zeiden de bomen uiteindelijk tegen de doornstruik: ‘Wees jij dan graag onze koning!’ En de doornstruik antwoordde daarop: ‘Als het eerlijk is dat jullie mij graag tot koning willen zalven, kom dan hier in mijn schaduw zitten en vertrouw dan op mijn bescherming. Maar zo niet, dan zal er ooit vuur uit mijn takken komen en hierna de cederbomen van de Libanon tot stof en as doen verbranden!’

    Luister dus goed, bewoners van Sichem! Was het zo eerlijk van jullie om mijn verderfelijke halfbroer Abimelech tot koning te maken? Hebben jullie daarmee iets goeds gedaan voor Gideon en zijn familie? Heeft Gideon dat werkelijk verdiend met alles wat hij voor jullie heeft gedaan? Want mijn vader heeft namelijk voor jullie gestreden. Hij heeft zijn leven uiteindelijk gewaagd om jullie te redden uit de macht van de Midjamieten die jullie jarenlang hebben geterroriseerd!
    En toch zijn jullie opeens tegen mijn vaders familie in opstand gekomen. Jullie hebben al zijn 70 zonen op één steen gedood! En toen hebben jullie Abimelech, de zoon van zijn slavin, gekroond tot koning van Sichem. Alleen maar omdat hij één van jullie is en op zijn aansporing! Als het tegenover Gideon en zijn familie zo eerlijk was wat jullie vandaag hebben gedaan, wees dan heel blij over Abimelech en laat hij blij zijn over jullie en goed over jullie heersen.
    Maar als dat uiteindelijk niet zo is en jullie hem niet echt als koning wilden, dan zal er van Abimelech een vuur uitdoven dat de bewoners van Sichem en Bet-Millo tot stof en as gaat verbranden en uiteindelijk zal vernietigen. En van de bewoners van Sichem en Bet-Millo zal er ooit een vuur uitdoven dat uiteindelijk Abimelech tot stof en as doet vergaan en zij zullen hem hierna vernietigen.” Toen vluchtte Jotam wijselijk naar Beër en bleef daar wonen. Want hij was bang voor zijn wrede halfbroer Abimelech.

    Gaäl komt in opstand tegen Abimelech

    Toen Abimelech drie jaar over Israël had geregeerd, zorgde God ervoor dat er grote moeilijkheden ontstonden tussen Abimelech en de bewoners van Sichem. Daardoor werden de bewoners van Sichem ontrouw aan Abimelech. Zo wilde God juist Abimelech straffen voor de afschuwelijke moord op zijn halfbroers, de 70 zonen van Gideon.
    En Hij wilde de bewoners van Sichem eveneens hiervoor straffen dat zij hem daarbij hadden geholpen. Om Abimelech dwars te kunnen zitten, begonnen talloze benden uit Sichem de bergen onveilig te maken. Vanuit hinderlagen beroofden ze iedereen die voorbij kwam die aan zijn kant stonden. Dit werd ook aan Abimelech verteld.

    Intussen was een man die Gaäl heette, de zoon van Ebed, met zijn broers in Sichem komen wonen. De burgers van Sichem kregen vertrouwen in hem. Toen werd het tijd voor de druivenoogst. De mensen plukten de druiven, persten ze en vierden daarna een oogstfeest in de tempel van hun god. Ze feestten en werden dronken en scholden hierna op Abimelech.
    En Gaäl zei: “Waarom zou onze stad die Abimelech dienen? Wie is die Abimelech nu eigenlijk? Hij is toch een zoon van Gideon, de Richter die de Midjamieten versloeg? En Zebul is toch door hém aangesteld als bestuurder van de stad? Het zou veel beter zijn als onze stad iemand uit de familie van Hemor als koning had. Tenslotte heeft Hemor deze stad gesticht. Maar waarom zou Abimelech onze koning zijn? Als ik het hier voor het zeggen had, dan zou ik Abimelech wegjagen of anders vermorzelen! Abimelech, kom dus maar op met je leger! Het maakt voor mij niet uit hoe groot het is!”

    Toen de stadsbestuurder Zebul dit hoorde, werd hij begrijpelijk woedend. Hij stuurde in het geheim boodschappers naar Abimelech toe in Aruma met de boodschap: “Gaäl en zijn broers zijn hier in Sichem gekomen. Ze stoken al de bewoners tegen u op. Kom ’s nachts met uw leger hierheen en verberg u in het veld. Val dan ’s morgens, zodra de zon opkomt, de stad aan. Als Gaäl met zijn mannen naar buiten komt, kunt u definitief met hen gaan afrekenen.”

    Abimelech valt Sichem aan

    Dus trok Abimelech inderdaad ’s nachts met zijn leger naar Sichem. Hij verdeelde de mannen in vier groepen, die in een hinderlaag gingen liggen. Toen Gaäl naar buiten kwam en in de stadspoort stond, zag hij juist Abimelech met zijn leger uit de hinderlaag tevoorschijn komen.
    Hij zei tegen Zebul: “Kijk, er komen allerlei mensen van de bergen naar beneden!” Maar Zebul antwoordde: “Nee, je ziet de schaduwen op de bergen voor mensen aan.” Maar Gaäl zei: “Nee, kijk dan! Er komen groepen mannen van die bergrug af. En er komt ook een hele groep langs de eik ‘Meonenim’. ”
    Toen zei Zebul tegen hem: “Waar is nu eigenlijk die grote mond van jou? Jij zei toch ooit: ‘Waarom zou eigenlijk die Abimelech onze koning zijn?’ Dat daar zijn die mensen die jij niet de moeite waard vond. Kom op en strijd dan tegen hen!”

    Gaäl trok met de bewoners van Sichem de stad uit, om tegen Abimelech te strijden. Maar hij verloor en moest voor Abimelech de stad in vluchten. Hij werd door deze achtervolgd en heel veel mannen werden gedood, tot vlak voor de stadspoort. Abimelech ging terug naar Aruma. Zebul joeg hierna Gaäl en zijn broers definitief de stad uit.
    De volgende dag trokken de mannen van Sichem het veld weer in. Toen Abimelech dat hoorde, verdeelde hij zijn leger in drie groepen. Elke groep moest zich in het veld verbergen. Toen de opstandige mannen de stad uitkwamen, kwam hij tevoorschijn en viel hen aan.
    Abimelech rukte met zijn groep snel op en veroverde de stadspoort. De twee andere groepen doodden iedereen in het veld. Die hele dag streed Abimelech tegen de stad. Hij veroverde de stad en doodde alle bewoners. Daarna brak hij de hele stad tot op de grond toe af en strooide er zout over. Dat hield in dat daar nooit meer iets zou groeien!

    Abimelech wordt gedood

    Toen de bewoners van Sichem-Toren dit hoorden, vluchtten ze de tempel van Baäl-Berit, een heidense afgod, in. Abimelech kreeg het bericht dat alle bewoners van Sichem-Toren zich daar verborgen hadden. Toen beklom hij met al zijn mannen de berg Zalmon om hen een vreselijke dood te laten sterven.
    Abimelech hakte met een bijl allerlei boomtakken af. Die nam hij mee op zijn schouders. Aan zijn mannen gaf hij het bevel hetzelfde te doen. Toen hakten ook zij veel takken af en ze volgden hun leider Abimelech. Ze legden de takken tegen de tempel aan en staken ze in brand. Zo stierven alle bewoners van Sichem-Toren, ongeveer 1000 mannen en vrouwen, in een gruwelijke vlammenzee.

    Daarna viel Abimelech, die nou echt was veranderd in een massamoordenaar, Tebez aan en hij veroverde de stad. Maar midden in de stad stond een sterke toren. Alle mannen en vrouwen van de stad vluchtten veilig die toren in. Ze deden de deur achter zich op slot en ze klommen op het platte dak. Abimelech kwam bij de deur van de toren en wilde die in brand steken.
    Op dat moment gooide een vrouw juist een stuk van een molensteen naar beneden, en precies op het hoofd van Abimelech. Zijn schedel werd hierdoor verbrijzeld en hij viel dodelijk gewond neer. Haastig riep hij zijn schildknaap bij zich en zei tegen hem: “Steek me onmiddellijk dood met je zwaard. Ik wil absoluut niet hebben dat er van mij gezegd zal worden dat ik door een vrouw ben gedood.” Toen stak de schildknaap daarop inderdaad Abimelech met zijn zwaard dood.

    Toen de Israëlieten zagen dat Abimelech dood was, gingen ze allemaal naar huis terug. Zo strafte God de goddeloze Abimelech voor de moord die hij gepleegd had op zijn 70 broers. Ook strafte God de bewoners van Sichem voor de slechte dingen en moordpartijen die ze hadden gedaan. Zo werd dus de vervloeking van Jotam, de zoon van Jerubbaäl of Gideon, hiermee werkelijkheid.

    En ook in Europa is het niet ondenkbaar dat de EU-burgers de EU-elite, die ze alleen niet hebben gekozen tot hun leiders, zullen verwerpen en dat er opstanden uitbreken waarbij er aan beide kanten talloze doden vallen!
    Want de EU-elite gedraagt zich precies hetzelfde als de opgenoemde doornstruik in dit verhaal die de Europeanen zodanig hebben geprikkeld dat ze er ooit definitief vanaf willen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *