Mijn achterneef Evrard

Mijn achterneef Evrard is niet helemaal goed bij zijn hoofd. Tenminste, zo noemen ze dat dan. Ik denk stiekem weleens dat hij simpelweg helemaal geen zin heeft om aan deze krankzinnige, hectische, digitale tijd mee te doen, dat hij zich daarom onnozel houdt, terwijl er in dat grote, logge hoofd van ʼm, allerlei diepzinnige, wijsgerige thema’s om voorrang vechten. Misschien heb ik het mis, maar ik zal u een voorbeeld geven, wellicht ziet u dan wat ik bedoel.

Laatst had ik wat vrinden en familie over de vloer, ik vierde een promotie. Mijn vrouw Elsbeth en ik hadden ons best gedaan om de lekkerste drank, de meest exclusieve kazen in huis te halen, om mijn professioneel opstapje ook in culinair opzicht de nodige luister bij te zetten. Ook mijn lievelingsachterneef en zijn ouders had ik uitgenodigd. Hij zat zich in een hoekje van de achterkamer wat te vervelen, pulkte in zijn neus en schoof wat lego-figuurtjes van mijn zoontje Thim op en neer, in de buurt van een brandweerkazerne en een politiebureau.

Op een gegeven moment kwam het kringgesprek in de voorkamer op het thema Midden-Oosten, en meer specifiek het eindeloos voortdurende Israëlisch-Palestijnse conflict. Wij, de, hoofdzakelijk, heren – een enkele dame – , lieten onze hersenen kraken op deze loodzware, gecompliceerde materie. Nadat we een minuut of twintig hadden gebabbeld over dit haast onoplosbaar geschil, verzuchtte ik luid, als een soort van resumé en tegelijk slot van onze gezamenlijke politieke hersengymnastiek:
‘Dit dossier is zó ingewikkeld, daar zal geen Amerikaanse president in duizend jaar toenadering en bestendige vrede kunnen brengen.’ Stilte. Een zwijgend instemmen.
Plotseling kwam Evrard op zijn geruite pantoffels aangesjokt, een lego-poppetje (een brandweermannetje) in zijn hand, en zei, totaal out of the blue:
‘Is toch niet zo moeilijk: als allebei de kanten vanaf morgen niet meer gaan vechten, is het morgen vrede.’

Deze keukenmeidenwijsheid explodeerde als een grote, witte ballon boven de hoofden van het verzameld groepje intellectuelen, dat zich juist het hoofd had gebogen over wellicht het meest complexe politieke vraagstuk, van de laatste halve eeuw. Verbazing over zoveel filosofische eenvoud en daadkracht ging er door mijn hoofd, en ik ben ervan overtuigd niet alleen door het mijne.
Oom Balts stond op, sloeg zijn dikke worsthanden op elkaar en sprak op luide toon:
‘Hoera! Een applaus voor de Nobelprijswinnaar voor de vrede: Evrard Tuinier!’

We stonden allen op, in een mengeling van ironie en oprechte bewondering voor de jonge wijsgeer, en trakteerden hem op een daverend applaus. Mijn lief Elsbeth zette deze lofbetuiging extra kracht bij door een enorme punt bosbessenvlaai – met een al even reusachtige toef slagroom – voor Evrards neus te zetten. Zijn ogen begonnen te schitteren, de jongen is een echte zoetekauw. Voorovergebogen, verlegen gemaakt door de plotselinge aandacht, schrokte hij zijn punt ijlings naar binnen, waarna mijn vrouw een nieuwe punt, deze leek nog groter, voor de neus van de nieuwbakken Nobelprijswinnaar plantte. Ook deze lekkernij was een uiterst kort leven beschoren.
Het gesprek in de voorkamer werd hervat, dit keer was het onderwerp: vliegbelastingen.

De boog kan niet altijd gespannen zijn.

 

3 responses

  1. Leuk verhaal. Ik had vroeger een oom die niet helemaal goed bij z’n hoofd was. Hij grossierde in cryptische wartaal waar iedereen om moest lachen, maar ik meende er diepzinnigheid in te horen. Nu denk ik: Hij was eigenlijk een soort Bob Dylan.

    Ps: Ik vind het een raar idee om vliegen belasting te laten betalen, maar hee, iedereen heeft recht op een eigen mening.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *