Nog in morgens gemeten

nog in morgens gemeten

zomeren_herwijnen

Elk jaar op 31 december haalde mijn vader alles wat los stond naar binnen, ketende hij vast wat niet naar binnen kon en timmerde hij brievenbussen dicht. Want elk jaar trokken er op oudjaarsavond door ons dorp bendes jongeren die alles meenamen wat los zat. Wat ze ermee deden, weet ik niet. Ik nam aan dat ze het vernielden, maar van mijn moeder begreep ik dat ze alles op het kerkplein bij elkaar brachten. Niet eens om in de fik te steken. Wellicht was het een soort herverdeling van de welvaart. Deze jaarlijkse strooptocht was traditie. Ik ging er eigenlijk vanuit dat dit traditie was in heel Nederland, maar ik geloof dat het enkel traditie was op ons dorp.

Dat dorp heet Herwijnen en ligt aan de Waal, in de oksel van Gelderland, zoals het in Nog in morgens gemeten van Koos van Zomeren heet. De vader van Koos van Zomeren is op Herwijnen geboren (zo zeg je dat daar: je woont niet in, maar op Herwijnen). Hij groeide op bij zijn oom en tante, terwijl z’n ouders nog leefden. Dat gebeurde vaker in die dagen, we spreken hier over de jaren ’30 van de twintigste eeuw. Toen hij de kans kreeg, vertrok de vader van Koos van Zomeren uit Herwijnen en ging hij in Arnhem wonen. Geregeld ging het gezin Van Zomeren terug naar Herwijnen. Vooral tijdens de zomervakantie. Het was echter in de kerstvakantie, op 29 december 1951 om precies te zijn, dat de centrale gebeurtenis van Nog in morgens gemeten plaatsvond: in een handgemeen met de jachtopziener wordt een jonge boer gedood door een schot hagel.

Koos zelf weet alleen dat er een golf van ontzetting door het huis van zijn tante ging. En door het dorp. Wat hij zich precies herinnert en wat hij van horen zeggen heeft, is moeilijk uit elkaar te houden. In ‘Nog in morgens gemeten’ probeert Van Zomeren te achterhalen wat er precies gebeurd is. Maar het ongeluk is vooral een excuus om herinneringen op te halen aan een dorp dat niet meer is zoals het was, om te spreken met mensen zoals ze niet meer gemaakt worden, om te mijmeren over een landschap dat, in de woorden van Van Zomeren, verwoest is en om te treuren over een tijd die nooit meer terugkomt.

In de jaren ’50 was de Tielerwaard, het gebied waarin Herwijnen ligt, een achtergesteld gebied. De bevolking was er verschrikkelijk arm. Boertjes pachtten land van een handje vol landeigenaren. In de winter leefden de boeren vaak op de pof en in de zomer moest de oogst maar goed genoeg zijn om de schulden af te betalen. Je verdiende wat bij met stropen. De polders waren woest en moerassig. In Herwijnen duurde de negentiende eeuw tot in de jaren ’50.

De schrijnende armoe verdween met de ruilverkaveling. Het land werd herverdeeld, de kanslozen kregen kansen en pakten die aan. In de jaren ’70 werden de ergste krotten gesloopt in verband met een dijkverzwaring die er pas vele jaren later kwam, de bewoners mochten op Herwijnen gaan wonen. En dat deden ze met veel genoegen. Weg uit de armoede.

In zo’n straat met bejaardenhuisjes voor mensen uit ’t Rot (zoals het westelijke uiteinde en tevens armste gedeelte van Herwijnen werd genoemd) vestigden ook mijn ouders zich. Eerlijk gezegd weet ik pas nu ik dit boek lees hoe uitzonderlijk schrijnend de armoede moet zijn geweest in de periode daarvoor. Ik ging met de achterneven en –nichten van de hoofdpersonen uit dit boek naar school. De Van Maarens, de Van Kriekens, de Blommen en de Van Aerendonks. De jonge boer die in 1951 wordt doodgeschoten, heette Leendert van Zandwijk. Ik was bevriend met een Van Zandwijk. Heb er hier nog over geschreven. Iets meer dan twee jaar geleden heeft hij zichzelf tekort gedaan, zoals ze dat op Herwijnen schijnen te zeggen. Het is een van de mooiste eufemismen voor zelfmoord die ik ken. Overigens hoeft het helemaal niet zo te zijn dat de Van Zandwijk die ik goed heb gekend, familie was van de Van Zandwijk die door de jachtopziener is doodgeschoten. De Herwijnse bloedlijnen liepen vrij ingewikkeld.

Nog in morgens gemeten bestaat uit een soort dagboeknotities. Soms korte ingevingen, soms essays, soms gesprekken met bewoners, soms verslagen van wandelingen, soms mijmeringen, soms herinneringen. Alles bij elkaar gehouden door een constant gemopper over hoe alles altijd voorgoed en onherstelbaar verloren gaat. Een gemopper dat als een pan pruttelend stoofvlees op een heel laag pitje het hele huis eenzelfde geur geeft. Soms heb je er wel eens genoeg van (en ik weet niet of ik het had volgehouden als ik al die namen en plekken niet had gekend), maar het heeft ook wel iets aangenaams, dat uiterst precies geformuleerde gezeur.

In die aaneenschakeling van terzijdes ontvouwt zich een soort plot dat z’n apotheose vindt in een reeks krantenknipsels, direct na het ongeluk in de landelijke en regionale kranten verschenen. Hoe het ongeluk werkelijk heeft plaatsgevonden, en of het moord was, doodslag of een stomme fout, wordt ook nu niet opgehelderd. Maar wat wel duidelijk wordt, is dat die krantenknipsels een veel beter idee geven van de impact van zo’n drama, dan de gesprekken die Van Zomeren voert met de mensen die het hebben meegemaakt. De tijd vijlt de scherpe kantjes ervan af. De mensen maken er een afgerond verhaal van, dat per definitie onvolledig is en vol fouten en aannames zit. Naar binnen geslopen verdenkingen worden waarheden, emoties worden herinneringen die zich met andere herinnerde emoties verkleven en zo eerder nostalgische gevoelens oproepen dan die emoties, laat staan de waarheid aan het licht brengen. Ook daarin lijkt Van Zomeren een bewijs te zien dat wat eens was nooit meer terug zal komen.

Overigens, die Oudjaarstraditie, die is ook verdwenen. Oudjaarsavond verliep vrij rustig op Herwijnen dit jaar.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *