Kou

Windvlagen deden de Zweedse kou nog scherper gevoelen op de dag dat ik in mijn hoedanigheid van behulpzame, inburgerende ouder mijn opwachting maakte op het schoolplein om de ijsbaan op te spuiten. Ik was ingedeeld met een moeder die voorwaar haar roeping tot brandweervrouw had gemist. Niet alleen kon ze geen genoeg krijgen van het spuiten; die brandweerslang stond haar ook echt goed. Toen de snijdende wind mijn inburgeringsgemoed dreigde aan te tasten, riep ik naar de brandweer-moeder dat het misschien zo wel genoeg was aangezien het toch geen ijsbaan à la Sotsji betrof. Graag had ik haar vervolgens – als mijn Zweedse taalvaardigheid dat had toegelaten – willen vertellen over de te zware delegatie die Nederland naar de Winterspelen in Rusland stuurt. Over onze ‘beetje domme’ koning en zijn eega van wie ik waarlijk meer fingerspitzengefühl in deze kwestie had verwacht. Over een minister van Sport maar vooral over een minister-president en de (wederom) gemiste kans om zijn statuur te vestigen. En natuurlijk over de wijze schrijver, Arthur Japin, en zijn aanbod om mee te gaan naar Sotsji om daar de (schending van) homorechten onder de aandacht te brengen. Misschien redde mijn gebrekkige Zweeds mij wel, want hoe had ik haar in hemelsnaam moeten uitleggen dat er in dat immense stadion geen kuipstoeltje voor diezelfde schrijver te vinden is. En terwijl ik mijn vingertoppen niet meer voelde, realiseerde ik me dat ik liever heb dat een overijverige Zweedse moeder dan een weinig verheffende premier me in de kou laat staan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *