Half Acht op de Olympus

 

Half acht. Half acht alweer! Hij was gebroken! Maar de werkdag was gelukkig eindelijk voorbij. En Zeus was er redelijk zeker van dat hij vooruitgang had geboekt tijdens het potje golf met de vertegenwoordigers van het Chinese pantheon.

Zeus’ golfkarretje bleef stug op dezelfde snelheid voort snorren terwijl hij het hek van Olympus naderde. Zoals altijd zag beveiligings-krijger die bij het hek stond de oppergod op tijd naderen en opende bijtijds het elektrische hek van de residentie der goden zodat Zeus zonder af te hoeven remmen naar binnen kon zoemen. De gehelmde krijger salueerde met een gebalde vuist voor de borst terwijl de koning der goden voorbij snorde. Het V’tje op zijn gouden borstplaat flonkerde trots.

Het waren geen gemakkelijke besprekingen geweest vandaag. Die Chinese goden waren geslepen types en ze hielden ervan om dingen vooral zo nodeloos ingewikkeld mogelijk te maken. Waar je bij de Noren, Perzen of Germanen gewoon bij één bepaalde god kon aankloppen moest je bij de Chinezen drie goden (waarvan er geheid minstens twee mot met elkaar hadden), tien heiligen, een stuk of wat geeërde wijsgeren en een enkele verlichte kluizenaar te spreken zien te krijgen voordat je eens wat gedaan kreeg. Irritant zaken doen was dat.

Yu Di, de Chinese hoofdvertegenwoordiger, had hem bovendien alle hoeken van de baan laten zien vandaag. Dat had Zeus’ humeur ook geen goed gedaan.

 

“Herc, zet het karretje even achter, wil je?” Zei Zeus kregelig terwijl hij zijn enorme gestalte uit het wagentje maneuvreerde en nochalant zijn golfjacket om zijn middel knoopte.

“Heil, oh Zeus Agoraeus! Ik zal mij met doodsverachting van deze goddelijke queeste kwijten!” zei Heracles-van-de-beveiliging enthousiast. “Uw hemels rijtuig zal-”

“Ja, ja, heel goed. Heel goed joh.” Bromde Zeus door de beveligingsman heen terwijl hij voorbij slenterde. “En zet gelijk m’n golfclubs even boven, als je wil.”

Heracles was het gevolg van een slippertje een heel aantal jaartjes geleden. Nadat hij zich tijdenlang enorm had lopen uitsloven om zijn goddelijkheid te bewijzen had Zeus uiteindelijk besloten om de jongen  een baantje bij de beveiliging van de Olympus te geven. Dat maakte het makkelijker om een oogje op ‘m te houden. Een rechtzaak of mediaschandaal zaten immers in een klein hoekje.

Zeus besteeg de witte marmeren trappen van de Olympus met de handen in de zakken. Het complex had ooit een wat meer afwisselende bevolking gehad, maar jaren geleden al had Zeus’ familie de hele tent min of meer overgenomen. De kinderen en kleinkinderen gingen niet zozeer op zichzelf wonen als dat ze een aparte suite in het complex kregen. Hekken, speciale driekoppige honden en Herc-van-de-Beveiliging en zijn collega’s hielden ongewenste stervelingen buiten. Stervelingen wilden altijd van alles. Bij voorkeur natuurlijk gratis.

Het rook muf in zijn kantoor op deze warme dag. Naar oud leer en dat spul dat de schoonmakers gebruikten om Zeus’ grote notenhouten bureau mooi te houden. Hoewel hij zeker al vanaf een uur of half zeven vanmorgen in touw was geweest liep Zeus toch nog even het stapeltje enveloppen en brieven dat er op hem lag te wachten door. Het enige noemenswaardige was een kort briefje in het precieze strakke handschrift van zijn dochter Athena. Zijn lieveling Athena was zo ongeveer Zeus’ enige familielid met meer dan drie werkende hersencellen en hielp haar vader bij het runnen van het pantheon.

Hij wist geeneens meer met wie hij Athena ook alweer gehad had, zelfs. Maar hij had een hoop maitresses gehad, dus dat was te begrijpen. Zijn therapeut had hem al vaak verteld dat hij zich daar vooral niet schuldig over moest gaan lopen voelen.

Pap, je-weet-wel-wie uit Abydos belde weer. Praat jij eens met hem? Thx! Liefs, P.A.

Zeus zuchtte. Hij wist wie ze bedoelde. Osiris, met de zoveelste klacht dat Zeus zogenaamd Egypte’s top-goden “weg aan het kapen” was. Maar goed, hij zou de man morgen eens bellen. Als hij het nummer tenminste nog kon vinden. Anders jammer dan.

Een dof, pulserend geluid onderbrak Zeus’ overpeinzingen. Door het grote raam van zijn kantoor zag hij een kolos van een auto nét zonder brokken door het openende hek binnenstuiven. Vormeloze beats rolden door de open ramen de wereld in en de wagen kwam in een stofwolk tot stilstand.

Hemels licht straalde vanuit de achterste raampjes, waar de Zon in de achterbak lag onder een paar verstelbare spanbanden.

Een knap-middelbare god met een felle zonnehalo, een lichtblauw poloshirt en smaakvol licht-grijzende slapen sprong naar buiten.

Oh jee, dacht Zeus. Helios.

Helios was normaal gesproken een van Zeus’ minder problematische familieleden. Te lui om actief last te veroorzaken maar genoeg onder de indruk van Zeus om wel het benodigde minimum van werk te willen doen. Maar als Helios echter brokken maakte deed hij dat dan ook met volle overgave.

Op de binnenplaats grijnsde Helios breed en gooide zijn autosleutels naar Herc-van-de-Beveliging, die zijn schild en speer tegen de grond moest laten kletteren om de sleutelbos te vangen. De bos schampte desondanks toch de halfgod’s graaidende vingers om pesterig tinkelend op het grint van de oprit van de Olympus te vallen.

Met een zucht mikte Zeus zijn cap en zijn jasje op een van de dure leren stoelen en ging achter alvast zijn bureau zitten. Wat zou het deze keer zijn, vroeg hij zich vermoeid af.

Seconden later kwam Helios binnenwandelen.

“Hé, Z-meister!” Zei de zonnegod joviaal. Tegelijk met Helios kwam er een onzichtbare walm binnenrollen. Hij stonk naar rook. En zijn normaal perfect gebruinde huid zag roder dan normaal. Er waren kleine schroeiplekjes op zijn poloshirt. De Titaan liet zichzelf in een van de stoelen tegenover het bureau vallen. “Tijdje geleden alweer, hé? Hoe is het met Hera? Nog steeds herrie in de tent? Ahahahaha!”

Hij grijnsde breed met hagelwitte tanden in perfecte staat van onderhoudt. De beide uiteinden van de grijns zakten echter langzaam naar beneden toen Zeus minutenlang niets zei en zijn neef alleen stil aankeek, ellebogen op het enorme bureau rustende.

“Wat is er gebeurt, Helios?” Vroeg Zeus uiteindelijk op ijzige toon.

Zijn neef leek even op het punt te staan een flauwe relativerende grap te maken en besefte toen schijnbaar dat hij maar beter gewoon kon zeggen wat hij op zijn goddelijke lever had.

“Hm. Ja. Zeus. Kerel. Eh… Heb je je mailbox gechecked vandaag?”

“Nee, ik moest werken,” zei Zeus kribbig. Hij hieldt niet van e-mail. Of whatssapps. Of technocyberradicalXXXtreme-O’s of wat voor cyber-ongein Hephaestus en zijn volgelingen nu ook weer bedacht mochten hebben.  Hij had een smartphone, maar gebruikte die vooral als een soort zakhorloge. De oppergod startte zijn laptop en wachte geduldig totdat het ding was opgestart. Helios was een stille zenuwachtige aanwezigheid aan de andere kant van het scherm.

Zijn mailbox was vol. Stamp- en stampvol. Een ordentelijk opgesteld leger van rooie uitroeptekentjes die “urgent” aangaven en titels die steeds paniekeriger werden naarmate hij verder omhoog scrolde. Lieve help…

“Wat heb je gedaan?!” Vroeg Zeus, verbluft over zijn scherm naar Helios kijkende.

“Hé relax! Je loopt nog es een maagzweer op met van dat zenuwachtige gedoe, kerel,“ zei de zonnegod.

“Mijverdomme, wat heb je gedaan, Helios?!!!” Blafte Zeus.

Helios zakte in mekaar en zijn gemaakt relaxte houding verdween. Als sneeuw voor de Zon, dacht Zeus zurig.

“Nou… Ik wordt ook een dagje ouder, weet je,” begon Helios voorzichtig. “Niet héél oud nog, natuurlijk,” voegde hij er daarna snel aan toe. “Maar toch, je begint toch eens aan de toekomst te denken, en of-”

“Wat” Herhaalde Zeus ijselijk, “Heb je gedaan, Helios?” Zeus scrolde verder door zijn ongelezen mails. “Ik heb hier berichten dat de Aarde gedeeltelijk verband is, de zee gekrompen, Africa in een woestijn veranderd, en wat is dit nou weer voor iets over Ethiopië?” Hij fronste terwijl hij probeerde een opvallend verwarrende mailtitel probeerde te ontcijferen.

“Ik eh, ik heb Phaethon de heilige zonnewagen laten besturen,” zei Helios. “Goeie jongen, moet je weten. Ambitieus ook. Kwam naar me toe en vroeg; ‘pa, ik wil bewijzen dat ik echt jouw zoon ben dus-‘”

“Wacht even,” zei Zeus. “Phaethon? Dat was dat brallerige ijdeltuitje dat je met hoe-heet-ze-ook-weer gehad had, toch? Die nimf?”

Helios wiebelde in zijn stoel. “Eh, Clymene is een Oceanide, geen nimf. Ze wordt nogal boos als je-”

“Je hebt dat ettertje je auto met de Zon achterin laten besturen?!” Brulde Zeus. “Hoe oud is dat rotjoch nou eigenlijk?!”

“Nou ja, je moet weten dat zo’n jongen-”

“Je hebt één baan, Helios! Eén ding waarvan ik ook daadwerkelijk verwacht dat je ’t doet!” Raasde Zeus. “Eén ding! En dat is de Zon elke dag over het firmament sturen! En nou kom jij me hier even vertellen dat je dit ene ding, het enige waarbij ik eens op je probeer te vertrouwen, verkloot hebt?!”

“Nou kom op Z-man! Laten we het nou ook niet erger maken dan het is!” Sputterde Helios terwijl hij half opstond.

Zeus draaide met een abrupt gebaar zijn laptop zodat Helios het scherm kon zien. “De Aarde is platgebrand, idioot! Hoeveel erger kan ik dat nog maken?! Heb je enig idee hoeveel ons dit gaat kosten in schadeclaims alleen al?! En dan de reparatiekosten! En de imagoschade!”

Helios zakte weer terug in zijn stoel.

“Waar is Petto?” Gromde Zeus na een korte, onbehagelijke stilte.

“Eh, hij heet Phaethon,” zei Helios makjes. “Hij- hij is nog in de auto. Ik zei dat ik eerst even met je zou praten voordat-”

“Breng dat joch hier,” zei Zeus ijzig. “En als ie héél veel geluk heeft schuif ik ‘m misschien  toch géén exploderende bliksemschicht in z’n reet.”

Helios zei verder niets en maakte dat hij buiten kwam.

Zeus zuchtte en ging achterover zitten. Oh lieve help, de stervelingen zouden letterlijk en figuurlijk moord en brand schreeuwen, hij wist het nu al. Er zou een kolossale marketingactie nodig zijn om de reputatie van het Olympische pantheon weer op te krikken. En dan was het nog maar de vraag of de normale dienstverlening binnen redelijke tijd daadwerkelijk weer gegarandeerd kon worden.

Hij checkte de tijd op zijn telefoon. Kwart voor acht nu, en het leek erop dat zijn werkdag toch nog bij lange na niet over was.

Oh, hij was dit zo zat. Zo zat. Opeens besefte hij dat hij er gewoon helemaal geen trek meer in had. Oppergod zijn was een klotebaan. Het had duizenden jaren lang zijn hele bestaan opgeslokt. En wat had het hem opgeleverd? Een slecht huwelijk, en dat was het dan ook wel zo’n beetje.

Hij zuchtte opnieuw diep. Van buiten op de oprit klonk het geluid van een opgewonden Helios die een onwillige Phaethon uit de heilige zonnewagen probeerde te krijgen.

Pensioen. Het woord had hem nog nooit zo mooi in de oren geklonken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *