De ondraaglijkheid van de camping

Onze eerste gemeenschappelijke aankoop ooit was een tent. Een “Touareg”. Het zou de eerste zin kunnen zijn uit de autobiografie van een gezwind avonturierskoppel waarvoor “berg en dal” geen geheimen hebben. Zou kunnen… Mijn vrouw, een scout in hart, nieren en elk ander lichaamsdeel, kan geblinddoekt en met geketende handen een zespersoonstent in 2 minuten opzetten. Ondertussen bereidt ze nog een 3-gangendiner. Als ik assisteer duurt het minstens anderhalf uur. Ik ben zo iemand die er zelfs in slaagt om een “pop up tent” ondersteboven op te zetten en vervolgens de handleiding nodig heeft om te kijken wat er misgelopen is.

20 jaar geleden kampeerden we doorheen Frankrijk en Italië. Van Avignon tot Arles, over Firenze, Siena en San Gimignano. Nu wilden we na een “luxeweek” in de Ardennen met de kinderen “back to basics”: tent, kookpotjes, outdoor camping gas van 12€ uit de Action… U kent dat wel. Als theoreticus van de familie – U had dat al door na alinea 1 – nam ik enkele gidsen “charmecampings in Frankrijk” door; campings met nauwelijks animatie, rustiek, natuurgevoel hoog in het vaandel.

Mijn oog viel op een camping in de Vogezen. Het was een “schrappen wat niet past” keuze uit drie mogelijkheden. De andere kandidaten werden uitgebaat door Nederlandse eigenaars met ronkende namen als “Sjoerd en Fenneke”. Nederlanders, daar hadden we geen zin in. Niet dat ik iets tegen onze Noorderburen heb, maar sociaal staan ze net iets te ver voor mijn doen.

Toen we met onze oerfranse Peugeot de zandweg naar de oerfranse camping “La Steniole” opreden, kruisten 10 geel genummerde volvo’s ons. Niet met voorschrift FR, maar NL. Tijdens het opzetten van de tent vlogen de “Ok’s, leuk zeg” en “Ja, best toch!” ons om de oren. Waarschijnlijk waren Sjoerd en Fenneke de enige Nederlanders op hun camping…

Vakanties zijn sowieso super, maar nog geweldiger als ze crescendo gaan. Het eerste uur aan de zwemvijver had de oudste zoon al een waterslang gevangen in een geleend visnetje. Een kwartier later had de jongste een mestkever te pakken en één uur later ving hij zijn eerste forel. Met brood! Een roofvis!. Eigenlijk hadden we kunnen inpakken en wegwezen. Case closed. What’s next? Een bruine beer in de tent? Een wolf aanrijden en roosteren? De volgende dagen vlogen de watersalamanders en kikkers de emmer in en uit. Als ware “Animal Planet” vertegenwoordigers struinden de zonen de vijvers af op zoek naar glibberig gespuis. Het rustieke kreeg wel even een knauw toen de caminguitbater met een professionele riek op een ringslang inhakte tot ze eruit zag als een “steak haché”.

Mijn overgrootvader kwam uit Nederland – een gevolg van WOI – waar menig Belg zijn toevlucht zocht . Vooral bij mijn jongste zoon bleek de Nederlandse openheid door te zetten: na 30 minuten had hij al driekwart van onze familiegeschiedenis verteld aan onze Nederlandse buren. Fijne mensen, die alles ok en leuk vonden.

Ondanks alle vooroordelen – daarom vooroordelen – kan je nauwelijks iets negatiefs over Nederlanders zeggen. Ze zijn innemend, open, behulpzaam… maar ook luidruchtig. Behalve als ze Frans moeten spreken. Dan worden ze onzeker en stil. Heel stil. Regelmatig zag je koppels voor de ingang van de campingreceptie dralen, discussiërend over wie het woord moest voeren. Mijn Frans is überslecht, maar als je dan een Nederlander bij de ijskraam “un bol citroen” hoort bestellen, waan je je een “locuteur natif”. Voor Nederlanders: a native speaker”.

Maar de campingmicrobe kruipt in je huid. Speciaal aan de camping: iedere tent had een verroeste autovelg waarin je een kampvuur mocht maken. De laatste zin uit de charmegids was iets in de trant van: “en wat is er gezelliger dan samen met je buren een marshmallow boven het vuur roosteren”. Yeah right, dacht ik…No fucking way!

En plots zat ik daar tussen Hans-Willem en Carola uit Hilversum een tak uit de Vogezen scherp te maken om een “spekje” aan te prikken. Gezellig toch!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *