Kunsthandel

Mijn ouders hadden vroeger een kunsthandel. Afgaande op het woord ‘kunsthandel’ zou men denken dat er bij ons kunst werd verkocht, maar dat was eigenlijk nauwelijks het geval. Het assortiment bestond voornamelijk uit onnatuurlijk aandoende landschapjes die in hooguit een kwartier geschilderd leken te zijn, reproducties van jongetjes met tranen op de wang en zwaar opgemaakte zigeunerinnen die in neonkleurige niemandalletjes tegen een bosrijke achtergrond tot hun knieën in het water stonden, van gips vervaardigde en bruin gespoten reliëfjes van paardenkoppen die men aan de muur kon hangen en helften van grote tropische schelpen die als asbak dienst konden doen, maar die je ook tegen je oor kon houden om de zee te horen.

Ik was nog maar een jongetje en had geen verstand van kunst en kitsch, laat staan van het verschil daartussen, maar voelde toch wel aan dat er met onze handelswaar iets niet helemaal in orde was en zat daar vaak over te mijmeren. Vooral de zigeunerin riep vragen op. Ze had pikzwart haar en hield haar armen gekruist voor haar blote borsten. Wat deed ze daar en waarom? De onwaarschijnlijkheid van de voorstelling en de netvliesverschroeiende kleuren stootten me af, maar toch moest ik er telkens weer naar kijken. Later zag ik in La dolce vita van Fellini Anita Ekberg in de Trevi-fontein en viel de overeenkomst met de zigeunerin me op: rondborstige, schaarsgeklede, zwaar opgemaakte seksbom met het water tot aan de knieën.. Gelukkig was die film in zwart-wit.

De winkel liep slecht, maar mijn vader wist met humor de moed er in te houden. Een bekakt pratende oudere dame vroeg eens naar aanleiding van de paardenkoppen: ‘Ze zijn toch niet van gips hè? ‘Gips’ sprak ze ongeveer uit als ‘gehps’ vanwege de hete aardappel in haar keel. Het was een domme vraag, want gezien de zeer lage prijs konden ze onmogelijk van iets anders gemaakt zijn, maar m’n vader zei: ‘Nee hoor, het is Russische pijpaarde van achter de Oeral.’ Waar hij dat zo snel vandaan haalde weet ik niet, maar het stelde de vrouw gerust en ze ging tot aankoop over. Een andere keer liet een man zich lovend uit over een groot zeegezicht in olieverf dat inderdaad behoorlijk geslaagd was. ‘Ja’, beaamde m’n vader, ‘een mooi stuk, maar als het hard waait slaan de golven over de lijst en moet ik de vloer dweilen.’

Een forse huurverhoging maakte het uitbaten van de winkel definitief onrendabel en er werd uitverkoop gehouden. We bleven zitten met een aantal gigantische, bruingespoten bierpullen van Russische pijpaarde die echt niemand wilde hebben. Omdat we niet wisten wat we met de afzichtelijke, rijkgedecoreerde ondingen aan moesten gooiden we ze maar kapot tegen de muur van de kelder. De laatste twee namen m’n vader en ik in de hand en onder het uitroepen van ‘proost!’ sloegen we ze krachtig tegen elkaar aan diggelen waarbij de scherven in het rond vlogen. Een tijdperk was ten einde.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *