Stof (2)

© Creative Commons / José Manuel Suárez

Dat gefluister werd alleen maar luider toen ik bij de waterkant kwam. Langs het kamp stroomde een riviertje; onze aanvoer van drinkwater. Mijn tenen kriebelden in het zand terwijl ik naar de waterrand liep. Ik wou water voelen, maar toen ik omlaag keek had zich een keurige halve cirkel om mijn voeten gevormd. Een droge halve cirkel. Het water stroomde tegen een onzichtbaar randje op, maar klotste daar niet overheen. Ik ging op mijn hurken zitten, vormde een kommetje met mijn handen en stak dat kommetje uit. Het water week. Niet met geweld, niet met gespetter, het stroomde eenvoudigweg bij mij vandaan. Het gefluister zwol aan en zou die dag niet meer afnemen. Ik kwam overeind en schudde mijn hoofd: onbegrip. Mijn voeten werden koud, werden nat. Ik bukte en liet het water door mijn vingers stromen. Er gebeurde niets, maar het gefluister bleef.

Het kamp was niet erg groot. Zo’n tweehonderdvijftig mensen woonden er. In de omgeving waren grotere kampen. Duizend, vijftienhonderd, soms wel tweeduizend mensen. Bijna alle kampen hadden oudsten. Dat waren soms de oudste inwoners, maar vaker bestond het groepje uit mensen die zichzelf het beste omhoog hadden weten te wurmen. Ze woonden in het midden van het kamp, grote tenten, veilig en centraal. De tenten stonden om een groot vuur dat bleef branden zolang het kamp er stond. Hier werd het voedsel verzameld en uitgedeeld. Er stond al een rij voor het brood. De rij voerde langs het vuur. Ik schuifelde met de anderen mee. Eenmaal naast het vuur liet ik mij opwarmen. De warmte voelde prettig in de nog frisse winterzon. Mijn rechterhand gloeide, van de warmte dacht ik. Ik keek omlaag, wou in mijn handen wrijven, maar geloofde mijn ogen niet. Twee van mijn vingertoppen stonden in brand.

 

[Meer van Woolridge hier.]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *