Brief aan Comte de Pompeaux 11

Comte,
Oogappel,
Appelflap, flappentap,
Markante markies,
Strontvlieg,
Vijgenboom van stukken vlees,
Grijnzende baviaan met je bontgekleurde billen,
Spillebeen,
Capsule kierewiet,
Sissende vuurpijl, ijsvogel van vuur,
Platgetrapte brandnetel,
Majoor met je glimmende pet, je opgepoetste medailles en je rukbunker,
Hazewind,

Vanaf het moment dat ik op mijn fiets stapte heb ik niet meer omgekeken. “Gaan met die banaan” hoorde ik de engel Gabriël me toefluisteren. Waar ik op het moment ben, is me niet helemaal duidelijk. Het is hier zengend heet en overal waar ik kijk ligt zand. Een soort immense verschroeiende zandbak helemaal voor mij alleen. Zanderige windvlagen die mijn verdroogde mond vertroetelen met de volgende stortlading aan gruis. Maar het gruis is heet en in de hitte schuilt de liefde. De engelen waken over mij en hun ijzig witte gewaden wapperen voortdurend, bedekken de krijsende zon en brengen mij de broodnodige geestelijke verkoeling.
Dat is verkoeling die in de vorm van broden uit de hemel valt. Bij bakken tegelijk.

Maar niemand die het ziet.
Ongeveer een week ben ik nu onderweg en de laatste twee dagen ben ik geen mens meer tegengekomen.
Mijn tocht begon heuvelachtig, toen ik door het mij zo toevertrouwde woud racete. Boomstam na boomstam snelde ik als in een roes voorbij, constant als een pendule in haar slingeren omhoog en omlaag gedwongen door de glooiing van het landshap. Bevlogen door een waanzinnige drift klotsten de golven van het land mijn fiets waar ze hem wilden hebben. Toen ik de bossen achter mij liet, liet ik ook een paniek achter die me lang geteisterd heeft. De bruine sproetenkop van Chisjpazil het duivelshert, met zijn borende spleetogen, vervaagde beetje bij beetje bij elke beuk die ik op de trappers uitoefende.

Bij een put aangekomen waar een waterpomp mij het nodige vocht kon verschaffen, ben ik afgestapt. Zittend tegen de onregelmatige stenen van de put keek ik recht langs de weg die ik had afgelegd. Nu ik er zo over nadenk, heb ik misschien gelogen toen ik schreef dat ik niet meer heb omgekeken, want dat deed ik toen wel. Ik keek om en ik overzag. Zo zat ik daar gulzig slokken water uit mijn overvolle veldfles naar binnen te klokken, terwijl ik voldaan in de verte de bosrand zag liggen. Om wat op krachten te komen, haalde ik wat te eten uit mijn knapzak en zette ik mijn tanden dankbaar in het taaie lichaam van een dooie muis. Toen ik zo, na wat een halfuur knagen geweest moest zijn, een aantal zwarte vogels uit het bladerdak op zag vliegen, wist ik dat het tijd was om mijn pasgeboren odyssee voort te zetten. Vluchtig klom ik weer op het zadel en begon ik er met frisse moed en een helder geweten op los te peddelen.
Langs de put en het grindweggetje waar ik over fietste, kabbelde een beekje gemoedelijk mee. Na een kleine poos werd het beekje wat breder en begonnen er zich stenen en weelderige planten langs en in het water te vormen. Daar tussen de rotsen in het rustige water zag ik toen iets wat mijn gemoed totaal verstoorde. Ik zag wat niets anders geweest kan zijn dan het lichaam van een atletisch gespierde man, met het hoofd van een kolibrie.

Colibri zwemmer

De vogelkop was in proportie met de rest van het ontzagwekkende lichaam en het wezen had een strak zwempak aan. Terwijl ik er met stomme verbazing langs reed, keek de figuur me nieuwsgierig aan vanuit het water, waarin hij stilstond met zijn uit de kluiten gewassen armen boven het wateroppervlak, schijnbaar genietend van de verfrissing, en draaide hij zijn afschuwelijke vogelkop met zijn spitse speldensnavel mee zodat hij mij zo lang mogelijk met zijn ogen kon volgen. Uit angst kreeg ik geen geluid uit mijn keel. Ik schreeuwde niet en groette ook dit antropomorfe gedrocht niet. Zelfs ben ik niet gestopt.
Verstijfd van de schrik staarde ik voor me uit, met mijn gedachten bij dat monster waarvan ik wist dat het achter mijn rug in het water nog naar me stond te kijken. Mijn benen voelde ik niet meer en ze leken wel uit zichzelf te bewegen, totdat het volledig tot me doordrong wat ik had gezien en ik als een razende steeds harder en door een steeds grotere angst bekropen mijn benen op en neer begon te raggen. Mijn fiets schoot als een jachthond die bloed ruikt het grindpad over en hoe lang ik zo zonder te stoppen ben doorgefietst, in een staat van mentale verlamming, weet ik niet. Het kan een hele dag geweest zijn.
Pas toen ik merkte dat het landschap totaal veranderd was, kwam ik tot rust. Maar toen was het te laat. In plaats van bossen en rivieren werd ik omgeven door bergen. Kale hellingen begroeid met vetplanten en droge pollen gras, en een doodsweg die me de hemel in trok. Een nauwe duivelspas die zich door de steile bergwanden wurmde. Als een puist werd ik tussen die dikke vingers van steen uitgeknepen, mijn benen verzuurd van het stijgen, totdat er geen spatje derrie meer uit me kwam. Het zweet van mijn lichaam was weggesijpeld, slechts mijn zoute schurende huid was overgebleven, en ook het water was op. Compleet leeg gemolken, plofte ik als een zwaar vermagerde koe neer aan de kant van de bergweg. Ik zakte door mijn hoeven. Een aantal stenen vielen van de bergwand naar beneden en rolden langs mijn afgematte lichaam. Zo zat ik afgepeigerd in een niemandsland, uitgedroogd met slechts een zak vol dooie knaagdieren in mijn bezit. Om hulp schreeuwen kon ik niet meer, zo verzwakt was mijn lichaam. In de verte op een rotswand stond een olijfboom trots te stralen, alsof hij wou pochen dat hij wél sterk genoeg was om te overleven in dit kale landschap. Water heb ik niet nodig, kijk maar naar mijn groene bladerdek. Rond de boom liep een groepje verdwaalde geiten. Toen herinnerde ik me ineens de panfluit. Grabbelend in mijn fietstas vond ik hem en met mijn laatste krachten blies ik er zo hard op als ik kon.
De lucht bewoog in lome vloeiende golven voor mijn ogen en van vlakbij zag ik de schele ogen van een brutale geit deinend voor me opdoemen. Nog meer geiten die als in een droom, gefilterd door een laag van luchtspiegeling, om me heen kwamen staan en toen zag ik ook met mijn laatste bewustzijn een vrouwenfiguur. Ze keek naar me, liep naar me toe en bukte voorover. Vlak voor mijn ogen hing de decolleté van haar volle boezem, ik voelde hoe ze met haar warme adem iets in mijn oor fluisterde. Het kriebelde, en terwijl ik in die spleet van zachte vrouwelijkheid keek likte ze met haar natte tong gulzig aan mijn oorlel.
Toen werd het zwart.

Boezem

De vrouw die als in een droom voor me opgedoemd was, bleek jong te zijn. Ze woonde alleen in een berghut niet ver van waar ze een schel fluitgeluid had gehoord en waar ze me vervolgens op de grond had zien zitten. De geiten waren haar geiten.
Hoe ze hier alleen kon wonen, was mij een raadsel. Zo’n gure onherbergzame omgeving is toch niks voor een vrouw alleen, dacht ik. Verzwakt door mijn tocht zat ik onderuitgezakt en met hoge koorts in een bed waarnaast een raam mij uitzicht verschafte tot kale glooiende vlaktes die zich uitstrekten tot de kim. Een pluk wanhopig gras her en der.
De dagen na het ongeval verzorgde Astrid mij met liefde. Versuft en in een delirische toestand zat ik in haar bed. Het zweet stond op mijn voorhoofd. Ik dagdroomde over de kolibrieman die vissen uit het water graaide met zijn handen en er zijn naald-dunne snavel in zette. Hij zoog de vissen leeg. Hun levenssap naar binnen, de ziel als toetje. Dan kwakte hij ze neer op de waterkant. Bij elk leegzuigen van een vis, zwol zijn lichaam op. Hij werd groter en gespierder, totdat hij zo groot was als een boom en hij de rivier leeg begon te zuigen. Hij zoog het water uit het landschap en groeide uit tot een reusachtige verschijning. Zijn snavel was zo groot geworden als een gevechtsvliegtuig en zo torende hij uit boven alles en iedereen, op zoek naar iets wat hem maar niet los kon laten. Een hutje in de wildernis. Het hutje waar ik lag verscholen.
Tussen de dromen door zag ik hoe Astrid bij mijn bed stond en hoe ze een koude doek tegen mijn hoofd depte. Ze bracht me water om te drinken en ze zei zacht dat ik op die bladeren die ze er bij gaf, moest kauwen. Dat hielp tegen het ijlen.
Zou ze echt iets in mijn oor gefluisterd hebben toen ik daar half bewusteloos tegen de bergwand zat, vroeg ik me af. Waren het haar ronde sappige borsten die ik vlak voor mijn gezicht had zien bungelen en was het haar tong geweest die aan mijn oor had gesabbeld? Of had ik geijld? Had de hitte zo op mijn geest ingewerkt dat ik het bedacht had?

Toen er een paar dagen verstreken waren waarin Astrid me zorgzaam voedde, schoonmaakte en oplapte, vroeg ze hoe ik me voelde. Ik voelde me stukken sterker en dat zei ik haar, waarna ze plotseling het bed opklom en bij me kwam liggen. Ze legde haar hoofd op mijn schouder, ging met haar hand over mijn borst en vertelde haar hele tragische historie. Soms was ze maanden achter elkaar alleen. Haar man leefde met haar in de hut, maar moest ver reizen om het zuurverdiende brood op de plank te krijgen. Hij nam een kudde van hun geiten mee en verkocht kaas en vlees in de stad, hier ver vandaan. In die tussentijden was ze zo eenzaam, alleen met haar geiten en het onverbiddelijke landschap, en ze verlangde erg naar de aandacht van een man. Ze vroeg of ik mijn armen om haar heen wilde slaan en dat deed ik. Haar hele lichaam sidderde van mijn omhelzing en toen hield ze het niet meer. Dicht tegen mij aan gekropen drukte ze haar lippen tegen mijn wang. Het waren warme zachte lippen, maar ze voelden haast koud aan in die godvergeten hitte daar in het berghutje. Ik voelde haar lippen op mijn wang en haar grote borsten door haar jurk heen tegen mijn ribben gedrukt. Toen ik mijn wang van haar weg draaide zodat ik in haar groene ogen kon kijken, kuste ze me innig op mijn mond. Slordig en vol passie voelde ik haar tong naar binnen glijden en als vanzelf gleed de arm die ik niet om haar heen geslagen had naar haar jurk. Zachtjes trok ik haar jurk omhoog en ging ik met mijn hand over haar buik naar haar venusheuvel. Door haar onderbroek voelde ik haar vochtige kutje. Er zat een natte plek in haar broekje. Mijn vingers gleden er over heen en wreven het liefdesvocht uit over haar schaamlippen. Haar mond kwam los van de mijne en terwijl ik met mijn vingers over haar doorweekte broekje bleef wrijven, kreunde ze met halfgesloten ogen in mijn oor. Toen deed ik haar broekje uit en gleed ik langzaam in haar met mijn vingers. Ze was drijfnat en warm van binnen. Terwijl ik ritmisch met mijn vingers in en uit haar schoof, legde ik haar onder mij op het bed. Haar bruine haren lagen als wortels van een boom uitgespreid naast haar hoofd en haar borsten staken als rijpe vruchten naar voren in haar decolleté. Ik lag van boven naar haar te kijken terwijl ik in haar natte kutje heen en weer ging en ze keek me aan alsof ze droomde. Haar ogen waren half dichtgeknepen en staarden gelukzalig in de ruimte. Ze keek naar me, maar ze keek ook door me heen. Wild geworden door haar geile blik trok ik haar decolleté open. Haar zachte borsten puilden uit haar kleren en terwijl ik haar ene borst in mijn hand kneedde, zoog ik gulzig aan de tepel van de ander. Haar tepels waren zacht en perfect. Ze zwollen op bij de kleinste aanraking en werden rood zoals haar gekuste lippen. Toen fluisterde ze:
“Ik wil je, vreemdeling. Want ik ken je naam niet, maar ik wil dat je me neemt. Neuk me als een beest.”
Mijn opgezwollen geslacht bracht ik in de opening van haar vragende vagina en toen ik helemaal in haar gleed, opende ze haar mond als een vis die naar ademt hapt.
De stoten van mijn forse erectie in haar kutje galmden na in haar borsten die als dikke puddingen rustig over haar lichaam bewogen. Uit haar half openstaande mond met die doorbloede zoete lippen stak haar tong een beetje naar voren. Mijn eigen tong glibberde er over heen en toen ze klaarkwam zoog ze mijn mond volledig aan zich vast. De verstrakking van haar poesje deed mijn penis kloppen en mijn zaad voelde ik als een zondvloed op de binnenkant van haar vulva uiteenspatten.
Na de vrijpartij viel ik als een blok naast Astrid in slaap. Naast die prachtige vrouw die me verzorgd had als haar eigen man. Naast die ongelofelijke nimf met haar vrouwelijke welvingen en de meest perfecte borsten van de wereld.
In mijn dromen zag ik opnieuw het kolibriemonster. Hij stond in een zee van zand en zijn voeten waren piramides. Als een Egyptische god torste hij zijn gigantische atletenlichaam voort. De piramides maakten  apocalyptische woestijnwolken los wanneer hij een stap zette en deden de aarde schudden als ze neerkwamen. In het midden van de woestijn lag een graf. Een sneeuwwitte tombesteen omringd door niets dan zand en een ziedende zon. Bij het graf bleef het monster staan en met zijn reusachtige snavel schreef hij iets in het zand. Vanuit de lucht, alsof ik in een helikopter zat, zag ik wat de kolibriegod in het zand schreef. Het was een tekening. Een hoofd van een beer als uit een stripboek, met flaporen die naar buiten staken. De neus van de beer was een kubus en in zijn mond stak een pijp waaruit rook omhoog kringelde.
Ik schrok wakker met een kreet:
“Pompo!”
Mijn boezemvriend, mijn geestelijke tweeling, bevriender van de eeuwigheid, Comte de Pompeaux. Ik moest er op uit, er was geen keus. Zoeken zou ik en vinden moest ik. Want mijn geestelijke tweeling, de Graaf van Pompeloenia, verkeerde in nood. Ja, Comte, toen herinnerde ik opeens als een bliksemschicht bij heldere hemel dat mijn odyssee slechts één doel had: jou.
Naast mij lag die wonderschone Aphrodite. Halfnaakt lag ze op haar zij met haar duim in haar mond. Haar borsten hingen ontbloot tegen haar onderarmen, zacht maar stevig tegelijk.
Vluchtig schreef ik nog een brief waarin ik aan Astrid uitlegde dat ik niet wilde vertrekken en altijd bij haar wilde blijven, maar dat ik moest. Dat ik jou moest zoeken, Pompertje. Omdat ik het beloofd had. En omdat ik niet anders kon. Zonder mijn spiegelbeeld ben ik nu eenmaal slechts een fantoom. Een spook zonder ziel.
Ik gaf Astrid nog een kus op haar schouder, schonk mijn veldfles vol met water en vertrok.

Nu ben ik hier, na weer een aantal dagen zwoegen op mijn jachtluipaard van staal. Mijn kat met wielen. Ik sta op de zandvlakte die mijn droom me voorschreef. Zoekend naar een graf. Ik zal je vinden. Dat beloof ik je.

Proevend van de vruchten Gods,
Schreeuwend als een hert naar de waterstromen,

Uilander

Magritte L'au-delà 1938

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *