Brief aan Comte de Pompeaux 8

Brief aan Comte de Pompeaux 8

Lieve Comte,

Met mijn laatste brief vuurde ik een welgemikte kogel op onze vriendschap af. Een verlammende pijlpunt die op je tere hart insuisde. De kogel lijkt zijn doel getroffen te hebben, het gif heeft zich traag door je lichaam en je brein verspreid, want sindsdien is het stil. Aan de overkant. Dat is jouw kant, voor de duidelijkheid.
Waar mijn laatste brief een kogel was, is deze brief een pleistertje om je gapende wond mee te bedekken. Zo’n kinderpleistertje met een tekening van een huilend hondje er op, of een brandende giraffe. Zie het als een verzoening.
Want eerlijk is eerlijk Graafje van me, ik wacht nog steeds op je. En mijn vriend, dat ben je.

Diep in het woud loopt hier een rivier die zich als een slang door het dichtbegroeide mos kronkelt. Hij slingert en glijdt, bij elke ontmoeting met een steen op zijn pad woedend sissend voordat hij zijn waterige lichaam er omheen laat vloeien. Een tweetal dagen geleden nam ik een slok van dit vloekende water. Wat een gevoel van vrijheid maakte zich van mij meester, Pompo. Onaantastbaar was ik. De rest van de dag heb ik plekken van het woud verkend die ik nooit eerder heb durven te betreden. Deze gebieden, waar de bomen tot in de wolken lijken te groeien zo hoog, verrasten mij in hun sereniteit. Alles was één, ademde tevredenheid en ik voelde mij gelukkig. Totdat ik een hert zag dat tussen twee reusachtige boomstronken stond. Precies op de plek waar het hert stond, scheen de zon tussen het bladerdek door en verlichtte de plaats waar zijn majestueuze hoeven het gras nederig deden buigen. Het hert had scherpe ogen waarmee hij me aankeek en een groot gewei met opvallend puntige uitsteeksels. Stokstijf stond het daar, alsof het op me had gewacht. Toen klonk er een diep, zwaar geluid, een vervormde stem. Zó donker. Het hert sprak:

HIER BEN JE DAN UILANDER. EN HIER ZUL JE BLIJVEN.
JE HAD NIET MOETEN KOMEN.

De bek van het hert bewoog, maar de woorden leken vanuit het hele woud op mij af te komen. Het geluid kwam van alle kanten en was overal om mij heen.

WIE MIJN RIJK BETREEDT, BEHOORT MIJ TOE. GEBROKEN UIL ZAL NU JE NAAM ZIJN.

“Wie ben je?” vroeg ik in totale ontreddering.

MIJN NAAM IS CHISJPAZIL, HEERSER VAN DE GEA (γαα).
JIJ KENT MIJ ALS BEËLZEBUB.

Zijn lage stem sprak de naam van de duivel uit met een kalmte die mijn lichaam deed sidderen. Wegrennen was het eerste instinct dat zich bij me opdrong, maar mijn verstand won het van mijn lichaam. Waarschijnlijk zou ik niet ver komen. Dan maar vechten tot de dood er op volgt. Ik pakte een stevige tak van de grond en was klaar om de duivel te lijf te gaan met een stuk hout. Toen ik mijn rug oprechtte zag ik niets dan bomen en groen. Het hert was verdwenen.

Ik ben bang. Te lang heb ik hier in isolatie geleefd. Ik vrees dat ik langzaam mijn verstand begin te verliezen. Ik word gek en ik ben als de dood. Kom me toch eindelijk bezoeken.

Onzeker over de dag van morgen,

Uilander

 

[Uit Minotaurus: Stunde 12]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *