Brief aan Comte de Pompeaux 4

Brief aan Comte de Pompeaux 4

Pompeaux,

Wie zich groot waant, ís groot.
Ik ben een uil met de scherpste snavel van het land.
De rondste stront in mijn mond en de groenste ogen van het woud.
Een mol is geen boom, eet geen aarde, maar woont wel onder de grond.
Een mol ben ik niet, want ik leef in de lucht, draai pirouettes en vorm orkanen, tuur dan naar de muizen en gris ze van de bodem.
Als ik spreek met de wind ben ik een vleermuis en vang ik sonar op van verre oorden. “Ah! Ah!” krijst een vrouw die klaarkomt, kilometers verderop. Ik vlieg er op af en bijt haar in haar nek, laat het bloed stromen over haar dijen en bewonder haar vagina.
Ik ben een schaduw die zich opdringt aan het licht. Een vliegende mol (ja toch!) die zijn weg baant door de takken. Ik ben de ogen van de zon en brand je huid wanneer je kou verlangt.
Ik ben groot.
Groot als een toneel gordijn dat valt en het podium bedekt.
Ik ben de onverlaat die je toilet bevlekt.

Ik ben,

Uilander


[Uit Minotaurus: Stunde 12]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *