Ik ben Wubbo Ocksels deel VI

De ochtend van het incident deel II

”Gatverredamme,” zei Wubbo Ocksels drie jaar geleden tijdens de laatste keer dat hij Mary mee uit eten had genomen. En ooit nog zou nemen.
”Gatverredamme,” mekkerde hij weer, met zijn vork in de paddestoel op zijn bord prikkend. Mary nam een grote slok wijn.
”Waar slaat dit ook op?” vroeg hij verontwaardigt.
”Waarom bestel je dan ook de specialiteit van het huis zonder op de kaart te kijken,” zei vooral de wijn in Mary.
”Gatverredamme. Kijk dan,” zei hij tegen de champignon. Hij keerde zich boos tot Mary.
”Omdat ik verwacht dat als ik de specialiteit van het huis bestel ik dan ook iets fatsoenlijks te vreten krijg!”
Mary wendde haar blik af van de mensen die hun tafeltje aanstaarden. Ze moest denken aan de mexicanos en friet en frikandellen.

Wubbo had haar in een halfdronken roes meegenomen naar het duurste restaurant in de stad, om de publicatie van zijn kloteboek te vieren. ”De 15 levens van Wubbo Ocksels” heette het, en was 300 pagina’s aan egomanisch gelul over hoe hij 15 keer oog in oog met de dood had gestaan; en wat voor gevolgen het gehad zou kunnen hebben als Wubbo die dood niet had ontweken.
Het enige gevolg zou zijn, in elk hoofdstuk toenemend dramatischer omschreven (Hoofdstuk 1: “(…) wat dus mijn dood had kunnen betekenen, (…)” Hoofdstuk 15: “(…) (De) mogelijkwijzer moeder aarde, naakt in een greppel, beroofd van haar Wubbo Ocksels, haar onschuld vermoord, en wat onuitspreekbaars niet verder tot dat lijdend? (sic) (en dikke nadruk op dat vraagteken)”) , dat Wubbo Ocksels niet meer zou leven. Mary nam weer een slok.

De irritatie van de avond was begonnen toen Wubbo een collega van hem in het restaurant had gezien. Professor Rupert Vandersna. Aan Wubbo’s wilde ogen en woest heen en weer bewegende monobrauw te zien, blijkbaar zijn aartsrivaal.
“Wat heeft hij nou weer te vieren,” mompelde Wubbo. “Het is niet alsof hij een boek heeft geschreven over vijftien bijna dood ervaringen.”
Mary keek zijn kant op, en zag een aimabele man een fles wijn te keuren terwijl zijn vrouw afwachtend glimlachend toe keek.
“Die klootzak,” legde Wubbo Mary het beeld uit wat ze zag, “Heeft bij de directie zijn eigen parkeerplek weten te regelen.”
Mary dacht even na.
“Heb jij niet ook een eigen parkeerplek?”
Wubbo’s ogen schoten denkbeeldig brandend pek over Mary.
“Omdat hij er eentje had gekregen! Ik moest het aanvragen!! En hij heeft zijn plek godverdomme vlak bij zijn faculteit!!”
Mary zuchtte. “Nou ja dan heeft hij dat. Jij hebt weer andere dingen. Een hoop dingen. Je moet eens kijken naar de mensen die het slechter hebben dan jij, Wubbo.”
“Oh naar wie dan Merrie?” siste Wubbo, met zijn handen een snel, klein wijds gebaar makend, “Bijna iedereen heeft het slechter dan ik. Hoe kan ik daar mijn vinger naar wijzen? Hoe dik denk je dat mijn vinger is Merrie?”
Mary keek hem aan.
“Hoe groot? Hoe breed? Ik kan iedereen wel aanwijzen Merrie. Dan blijf ik bezig. En Merrie,” zei hij, een slok wijn nemend maar wel haar aandacht afdwingend met een ondertussen al vermanend vingertje, “Wijzen,” zei hij, even naslikkend omdat hij te snel verder wou praten, “Is onbeleefd.”
Hij liet een onderdrukte boer, die daardoor des te smeriger klonk. En stonk. Mary wendde haar hoofd om, toch weer kijkend naar die Rupert, net als Wubbo die hem nu maar gewoon dood probeerde te staren.

Rupert had eindelijk Wubbo en Mary zien kijken, en zwaaide hartelijk. Hij stond op, en bewoog naar hun tafeltje om ze te begroeten. Mary’s ogen werden groot.
“Wubbo!” siste ze, “Je bent ongelooflijk! Die man is gehandicapt!!”
Rupert had een prothese in plaats van een rechterbeen, en strompelde moeizaam naar ze toe, met een hand een blijkbaar pijnlijke heup vasthoudend.
“Ha Wubbo!” zei hij desalniettemin hartelijk, zijn hand uitstrekkend naar Mary en daarna Wubbo, die hem de hand schudde door losjes met duim en middelvinger zijn hand te pakken en het gelijk weer los te laten alsof het een snotterige zakdoek was. Rupert leek hier geen aanstoot van te nemen.
“Ik zag dat je boek uit is gekomen! Knap hoor, met al dat werk wat je doet op de universiteit, ik denk niet dat ik zoiets er nog bij had kunnen doen!”
“Ja we kunnen niet allemaal gehandicapt zijn, hè?” sprak Wubbo minzaam.
Rupert dacht dat hij het verkeerd verstaan had, dus lachte hij vriendelijk.
“Jij gefeliciteerd met die parkeerplek. Dat heb je mooi geregeld.”
Rupert lachte. “Oh die heb ik gekregen, dat scheelt weer zo’n afstand hè? Met dat verdraaide been van mij, haha!”
“Ja,” zei Wubbo, zijn lippen duivels omhoog krullend, “Dat heb je goed voor elkaar geregeld.”
Rupert glimlachte maar uit goedmoedig onbegrip, groette hem en Mary, en strompelde weg. Wubbo schudde zijn hoofd.
“Het lef van die vent.”
Hij nam een slok. “Hij kan het gewoon niet met rust laten. Ongelooflijk.”
Met dat laatste woord was Mary het wel eens, ja. Maar dat was dat, en toen was toen, en nu zat Wubbo aan zijn eten te pielen.

”Gatverdamme. Mag ik soms even jullie menu zien?!” keerde Wubbo zich tot een ober.

Toen de ober met kaart terugkwam, dook Wubbo erin. ”Hier,” zei hij uiteindelijk triomfantelijk, zijn dikke vinger er op drukkend, ”Kijk nou. Moet je kijken. Vogelleverpaté. Gatverredamme. Het staat er echt moet je kijken. Vogels?? Hee ik weet wat, laten we zoogdierleverpaté serveren. Dan eten we mens,” zei Wubbo.
Mary ademde in om iets te zeggen, maar Wubbo had al een antwoord.
”Het is hetzelfde Mary. Vogellever. “Vogel”. Dan kan het dus theoretisch wat voor vogel dan ook zijn. Nou?”
Mary opende haar mond.
”Het is hetzelfde Mary. Een mens is dus een zoogdier, Merrie.”
Mary pakte haar glas weer op en nam twee slokken.
”Typisch dat jij dat weer niet weet,” bromde Wubbo, een slok van zijn water nemend. Mary keek naar de halfvolle fles wijn. Het gewicht inschattend. Wubbo zat alweer achter de kaart.
”Hier: Vogelleverpaté, gevuld met appelgelei en omhulsd in een kruisdisteloesterzwam in een bed van cranberry-coffee chutney. Gatverredamme.”
Hij prikte er nogmaals misprijzend in met zijn vork, een bijna kinderlijk vies gezicht erbij trekkend.
”Misschien moet ik maar een hoofdstuk 16 schrijven,” bromde hij. Dat zou zijn favoriete grap worden de komende drie jaar. Mary’s favoriete grap was stilletjes de tel bijhouden van al die hoofdstuk zestiens. Na drie jaar was ze tot 1363 gekomen. De eerste 700 in het eerste jaar, moest ze wel toegeven. En, moest ze toegeven, hoofdstuk 16 in al zijn verschillende incarnaties trok ze een stuk beter dan hoofdstuk 12.

In hoofdstuk 12 had Wubbo geschreven hoe hij in een raket naar de ruimte was geschoten. En hoe de raket die na hem kwam, 1 jaar later, in de stratosfeer ontplofte.
”Als ik een space shuttle later had genomen was ik gewoon DOOD geweest,” relativeerde hij even iedereen terug naar de aarde.
Nu was dat hoofdstuk an sich niet veel irritanter dan de rest (Hoofdstuk 7 won wat dat betreft de hoofdprijs, over de keer dat Wubbo op een congres was en iemand daar begon te stikken in een pinda. Gelukkig sprong er een man op uit het publiek die de heimlich-greep kende, en hem daarmee redde. Wubbo schreef peinzend verder over de vraag wat er gebeurd zou zijn als hij die pinda had genomen, en wat nou als er niemand in de buurt zou zijn geweest die de heimlich-greep kende. Hij zou gewoon DOOD zijn geweest. Het stuk eindigde met een donderende preek waarom hij zijn kinderen had bijgebracht dat kauwen ”niet iets was waar luchtig over gedaan moet worden,” en dat hij ”Niet gekomen was waar ik nu ben, als ik niet voor alles goed de tijd nam om eerst diep na te denken.”
Daarmee wilde hij ”Niet zeggen dat ik te slim ben om in een pinda te stikken; een ongelukje zit immers in een klein hoekje. Maar tot nu toe kan ik bescheiden toegeven dat ik in elk geval slim genoeg ben om keer op keer door het oog van de naald te kruipen.”
Ja; het was een kutboek.

Maar nee: de reden dat Mary specifiek hoofdstuk 12 haatte was omdat dit hoofdstuk zijn lievelingswapen was. Zijn Grand Unified Argument. Mary kon bijvoorbeeld drie jaar later bij het ontbijt een geïrriteerde opmerking maken omdat Wubbo nog steeds niet het vuilnis had buitengezet; en Wubbo was dan zo’n man die daarover dan ruzie kreeg, en dan boos met zijn vork op de tafel knalde.
”Wens jij soms dat ik een space shuttle later had genomen?”
”Oh Wubbo alsjeb…”
”Nee geef het maar toe. Je mag het zeggen. ’Wubbo, had jij maar een space shuttle later genomen, dan was je nooit in space geweest maar ontploft.’ GEEF TOE DAT JE DAT WILT!”
Normaal had ze dan gezegd ”Nee ik wil helemaal niet dat je ontploft was geweest” en dan zou hij haar na een dag of twee weer aankijken. Maar nu was het drie jaar na de publicatie van zijn boek, 23 jaar na zijn vervloekte ruimtereis, 33 jaar na a very Mary Christmas en a Wubbo Ocksels new year, 35 jaar lang een toilet blinkend schoon poetsen om als doelschijf te dienen voor Wubbo zijn verkakte mexicanos schietende darmkanon en twee dagen nadat die tantrische gehandicapte een belofte had gedaan te helpen en ze geloofde hem en ze was het zat, zo spuugverschrikkelijk bloedzat. Haar handen balden tot vuisten. Haar tenen kromden. Ze zou hem godverredomme eindelijk zeggen waar het op stond.
”IK WIL GEWOON DAT HET VUILNIS BUITEN WORDT GEZET VORIGE WEEK WAS JE OOK TE LAAT EN STOND DIE ZAK DE HELE TIJD TE STINKEN IN DE TUIN!!” barstte ze uit.
Wubbo’s ogen werden gigantisch. Dit had helemaal niets meer met vuilnis te maken, begreep hij dondersgoed.
”JIJ WOU GEWOON DAT IK ONTPLOFTE, MAAR NEE! IK WAS IN SPACE! EN JIJ KUNT DAT NIET VERKROPPEN, HARTELOOS KUTKRENG!”
Wubbo stond woedend op, zijn stoel daarbij bijna omver duwend, wat hij met een onhandige boze greep wist te voorkomen, waarna hij het ding ruw aanschoof.
“Ik ga naar mijn werk,” brieste hij. Hop en BAM met de deur en weg.

Mary ondertussen stond te trillen op haar benen. Ze had het gedaan! Ze had hem de waarheid verteld! Was dit wat die gehandicapte bedoeld had? De hulp? Eigen kracht om op haar eigen benen te staan en Wubbo te vertellen hoe het zit? Het tintelde. Wat tintelde? Mary wist het geeneens. Dit zou de beste dag van haar leven worden, en het begin van nog veel betere!

5 responses

  1. Erg mooi en leuk stuk. Op de een of andere manier lijkt het nog beter dan de de vorige afleveringen. De spanning is amper te houden. Gelukkig kan er ook gelachen (Rupert Vandersna!)worden. Gaaf stukkie.

    • Mja ik ben er ook wel redelijk content mee. Eerst was het alleen die paddestoel (gebaseerd op echte gebeurtenissen! Vliegtuigmaaltijd! Half uur lang alleen maar verdrietig met een vork in lopen poeren. Ik heb nog een foto, maar die bewaar ik wel voor de boekversie.) en qua flow was het beter geweest als ik het daar bij had gehouden, maar ik vond dat gedoe met Rupert te leuk. Wat ik ook wel leuk vond was toen ik em na een paar maanden weer eens ging editen ik Wubbo’s vermanende vinger zag met “Wijzen is onbeleefd”. Ha die had ik niet eens door bij het schrijven!
      Het totaalplaatje ben ik trouwens wel heel blij mee, benieuwd wat je ervan vind als het af is.

  2. Wat een aanmatigend stuk is dit weer. Werkelijk stuitend om te lezen hoe er met Nederlandse Helden om wordt gegaan. Inmiddels is me duidelijk waar de wrange toon van afgunst vandaan komt: in space is iedereen kippfest, Kippfest. Er is naemlijk geen zwaartekracht in en rond de spaceshuttle. Dus omvallen kan niet. Iedereen die in de ruimte is geweest, is dus kippfest geweest. Maar niet iedereen die Kippfest is, is ook in de ruimte geweest!

    Andre Kuipers vergeeft het je (snap je, omdat hij groter is dan Jezus enzo. Die is trouwens ook nooit in de ruimte geweest).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *