Silvester

Die surrealistische horrordagen tussen Kerst en Nieuwjaar. Lege, lanterfanterige etmalen zonder doel of uitkomst, waarin de protagonist de kans heeft het afgelopen jaar, of het eerste deel van zijn leven, zo u wilt, revue te laten passeren.

Dagen die nergens goed voor zijn en in het beste geval leiden tot relationele misverstanden, in het slechtste geval tot een blind vuurwerkoog.

Ooit bracht ik ze door bij mijn oom en tante in Heidelberg. Mijn tante Johanna is reeds sinds jaar en dag getrouwd met mijn Duitse oom Herbert, en sinds pakweg een decennium of twee leven ze hun huwelijkse idylle in het schilderachtige universiteitsstadje.

Ik zou Silvester bij hen vieren, was reeds enkele dagen tevoren naar Duitse gebieden getrokken, om mij te bekwamen in de nobele langlaufsport: er lag een smetteloos wit tapijt aan verse sneeuw, even maagdelijk als de status van mijn langlaufvaardigheden.

Gelukkig was daar Heidi, het mooie, twintigjarige buurmeisje van mijn oom en tante, zij wilde mij wel helpen bij mijn pogingen, de onderhavige wintersport onder de knie te krijgen. Mijn snelcursus vorderde gestaag, na een lange dag oefenen, met veel vallen en opstaan, beheerste ik de basisbeginselen al heel behoorlijk. Reeds op de tweede dag was ik in staat om samen met mijn knappe, roodharige gezellin een flink stuk woud af te leggen, op de lange latten die de dag daarvoor nog regelmatig een struikelblok voor me hadden gevormd.

Gezeten op een boomstronk in het muisstille bos, ontving ik mijn eerste Duitse kus. Het was een erg vochtige, dat mocht de pret echter niet drukken, ik was trots op het feit dat ik voor het eerst in mijn leven verkering had met een buitenlandse. Ja, geloof het of niet: in mijn jeugdige naïviteit wist ik dat ene zoentje, ontvangen in dat donkere, hogelijk romantische woud, zo te duiden, dat ze voor mij het startsein vormde voor een weliswaar kortstondige, maar toch: voor een vakantieverkering.

Toen een paar dagen later op Silvesterabend Heidi haar vriendje voorstelde, een boswachter – boom van een kerel – genaamd Peter, was ik behoorlijk van mijn stuk gebracht.

Tijdens het grote moment – het klinken der glazen Sekt – veinsde ik als een Hollandse boer met kiespijn dat ik het naar mijn zin had, ik wilde oom en tante niet teleurstellen. Van binnen bloedde ik als een weerloos hert, tijdens de jacht geraakt door een pijnlijk, juist niet dodelijk schampschot.

Reeds om half een in de nacht excuseerde ik mij bij het gezelschap, ik verzon een of ander smoesje (buikklachten) en kroop in bed met een hart dat bleef nadruppen, tot het moment dat ik in een droom belandde; een onaangename, als mijn heugenis mij correct informeert.

De volgende dag nam ik afscheid van mijn twee hartelijke familieleden, ik kreeg een blauwe pullover met daarop een donkergroene eland cadeau. Een tikkeltje potsierlijk, maar warm was hij wel, mocht ik de winters daarop bemerken.

Ik zwaaide oom en tante uit met in mijn buik een onbestemd gevoel van verlangen; naar een afgelegen, besneeuwd bergdorp waar een Heidi zou wonen; eentje zonder vaste vriend.

Ook zij nam afscheid van me, met een glimlach die verraadde dat ze zich niet helemaal lekker voelde met de hele situatie. Ze besefte wellicht dat ze me beter niet had gekust: daar waar liefde gedeeld moet worden, is liefde geen liefde, maar een winterse illusie.

Twee weken later vond ik een briefkaart van haar op de deurmat, met daarop een afbeelding van een eland, gehuld in een bruine winterpullover. Ik kon een glimlach niet onderdrukken.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *