Soortgenoten

Het is aangenaam om temidden van je soortgenoten te kunnen vertoeven. Tussen mensen die je passies delen en begrijpen, dat voelt vertrouwd aan. Als een warm bad. Natuurlijk, het kan niet altijd. Je moet je ook regelmatig met buitenstaanders inlaten, al was het maar om de kachel brandend te houden. Het is nu eenmaal niet alle dagen feest. Maar als je je moet aanpassen aan anderen raak je na een tijdje verkrampt. Je komt in een soort mentale spagaat terecht die op den duur psychische spierpijn veroorzaakt, ik weet zo gauw geen betere omschrijving. Je raakt sneller geïrriteerd. Je brengt meer tijd op het toilet door, een wrevelig onbehagen neemt bezit van je. Het gaat ook in je nek en schouders zitten, die worden hard en stijf. De stoelgang lijdt er eveneens onder en niet te vergeten de nachtrust. Al met al wordt de situatie steeds benauwender. Allerlei vormen van vluchtgedrag beginnen zich te ontwikkelen. De toestand begint langzamerhand zorgwekkende vormen aan te nemen.

Maar dat valt allemaal van je af als je het eiland betreedt. Nee, eerder al: op het moment dat je het eiland in de verte ziet liggen. Je vel lijkt ineens minder strak om je lichaam te zitten. Er schijnt meer lucht in je longen te passen en ook is het net alsof iemand de verwarming een paar graden hoger heeft gezet. Een tevreden rust daalt over je neer. Een gevoel van geborgenheid, dat is het eigenlijk. Omdat je onder je eigen soort mensen bent. Omdat je weet dat je je híer niet in allerlei bochten hoeft te wringen. Omdat je weet dat je híer niemand iets hoeft uit te leggen. Omdat je weet dat je híer gewoon jezelf kunt zijn. ‘s Avonds aan de bar kun je hier rustig tegen de man die toevallig naast je zit zeggen: ‘Nou, dat was me vanmiddag ook wat. Ik was bezig de plork door het zijpgat te jassen, omdat anders het streepje te hoog zou komen, schiet me daar de  wonkel los en stort de hele katadreuf naar beneden!’ Er zal je geen verbazing, onbegrip of verbijstering ten deel vallen, verre van dat. Je buurman zal langzaam knikken en een glimlach van herkenning zal op zijn lippen verschijnen. He knows it. Seen it. Has been there. Hij zal langzaam knikken en terwijl hij in z’n glas tuurt zal hij traag antwoorden: ‘Ja, dat is altijd oppassen geblazen met die plorken, breek me de bek niet open. Maar als je van tevoren de bering goed verhacheld kan er in principe weinig misgaan’. Er ontwikkelt zich een aangename conversatie, ervaringen worden uitgewisseld. Er wordt gelachen. Je bestelt nog een paar glazen motorolie, en nog een paar, en nog een paar… De tijd lijkt te vliegen en voor je het weet is het al bijna sluitingstijd. Nadat om klokslag 12 uur de geit in de fik is gestoken zet je samen nog even de wippels buiten en tilt de kapoen over het hek. Daarna ga je als vrienden uit elkaar. Terug in je eigen tent val je als een blok in slaap en wordt pas diep in de ochtend wakker. Je voelt je als herboren. Bijna een ander mens.

2 responses

  1. Zo waar. Zo goed beschreven. Die eerste categorie zou ik nog intressant vinden als ze nog wat te melden hadden (en ik, daarbij) maar het lijkt wel alsof het brein een piemel is die in een kille koude atmosfeer het liefst terug wil treden in de vaderschoot, hup, ballen weer terug in de buikholte en doen alsof we allemaal niet bestaan.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *