Hannah Maria II.25

Ondergaande winterzon doet de rails zacht glanzen. Naast de rails het donkere perron waar we staan. Kleine ijspegels aan een gebroken regenpijp, oranje vliegtuigstrepen aan de donkerblauwe hemel. Hannah Maria komt uit de catacomben onder het station geklommen en ze heeft blosjes op haar wangen en haar paarse jas aan. Haar blonde haar is nat van de douche thuis en haar grote lippen glanzen van de gloss en haar ene scheve voortand is zo lief als ze naar me lacht. Ergens in mijn koude lichaam begint slapend prikkelig bloed te stromen, een golf van warm bloed die komt en pompt van mijn hart naar mijn koude vingers en tenen papam mapam. De bol van de zon een oranje waarschuwingsbord in het grijs: dat straks de nacht komt, het zachte dood koud nachtgat dat de warmte van de stad wegzuigt de stoeptegels over en de rioleringsgaten in, flarden duisternis die spreeuwen doodvriezen willen.
Maar Hannah Maria is nu vlakbij me en ze slaat haar lange in lange handschoen ingepakte armen om mijn torso die zich al licht rillend klaar gemaakt heeft om haar omhelzing te ontvangen. Hannah Maria’s geest is een zestienarmige vrouwtjesoctopus die al mijn gaten, zichtbaar en onzichtbaar binnendringt en lieve woordjes en gebaren fluistert en het harde in mijn lijf wordt zacht en het zachte wordt hard en de winterlucht in mijn longen wordt vochtig warm van haar adem en de koudevlekken op mijn gezicht verdwijnen en ik smelt in haar en zij in mij. Wij zijn twee pulserende warmetebronnen op een koud perron o zo vlakbij de nacht, zou je een infraroodcamera op ons richten zou je zien dat onze neuzen koud koud zijn maar onze lippen en tongen warm en nat omdat we veilig zijn ondanks de langsglijdende knetterend blauwe vonken die treinpantografen langs halfbevroren bovenleidingen trekken.

Tegenover de bleekoranje zon staan de sikkelmaan en Venus als avondsterren aan de winteravondhemel te schitteren, koud juweel maar het is goed want we dragen door kleine bruine handen gewoven vellen huid die we kleren noemen. Hannah Maria heeft een paarse wollen jas en ik heb een bomberjack. En maar goed ook want we denken wel dat we veilig en warm zijn maar zonder waren we in onze zoenige omhelzing gebleven twee vastgelikte pegels daar in de kou donker op perron zwart, waar de kauwgomvlekken op vastliggen als sterren aan het zwerk tussen onder onze voeten knisperende aangevroren dunne laagjes ijs en Hannah Maria fluistert in mijn oor ik heb iets ik heb iets voor je meegenomen. Zij heeft meegenomen: mijn favoriete snoep een Lion Marsoid Candybar. “en ook een CD van Juanes omdat je die zo leuk vindt skatje”. Ik heb bloemen, bloemen die half bevroren zijn en veel te duur waren in een klein bosje maar Hannah Maria vindt het niet erg. Dus wij ergens onbepaald maar niet verdwaald op een stukje planeet aarde, specifiek: perron 4b nabij de Noordertunnel van Utrecht CS, slechts enkele stappen verwijderd van voorbijrazende dood op rails blauwe hoogspanningsvonken en zo voorts maar veilig in de armen van Maria Hannah en zij in mij. Zij neemt me bij mijn hand en trekt me mee laten wij ons spoeden richting de trap naar beneden de al te smalle, gladde nisloze catacomben van het station in. Fietsen staan al aan het goede eind van de tunnel waar. Ze heeft alvast omgereden en haar fiets tegen mijn fiets aangezet en vastgekluisterd zodat we samen kunnen fietsen ik naast haar zij naast mij als we naar haar huis gaan als we naar huis gaan. Met die oude gekke kat die je moet knippen in de lente en de kinderkamer waar haar dochtertje woont en konijntjes.

One response

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *