Brief

Nvdr: Op 20 september jongstleden ontving uw geliefde hoofdredacteur onderstaande brief, gericht aan Ben Hoogeboom en geschreven door onze zeer gewaardeerde medewerker Berend Quest. Uw hoofdredacteur, druk bezig met allerlei aardse zaken, vergat steeds dat hij deze brief nog wilde plaatsen. De man aan wie de brief is geschreven was nog niet overleden op het moment van schrijven, maar is dat nu wel. Omdat wij vermoeden dat Ben het wel zou kunnen waarderen een brief te ontvangen waar hij niks meer aan heeft, plaatsen wij hem alsnog.

Het probleem van het schrijven van een brief, Ben, is het begin. Voor mij dan. Met het begin bedoel ik niet zozeer de eerste alinea of alinea’s, nee, echt letterlijk het begin. Dus, wanneer ik aan jou een brief schrijf, Ben, dan is mijn probleem wat ik voor ‘Ben’ schrijven moet.
Neem een begin als ‘Hallo Ben’. Ik bedoel, veel mensen doen dat gewoon. Ik vind dat het niet kan. Het is plat, een blijk van desinteresse. Het voelt als de begroeting van een oververmoeide cafébaas die bij zichzelf denkt: “Daar heb je hem ook weer.”  Voor mij dan hè. (Dat zal er vast alles mee te maken hebben hoor, dat ik alleen mijzelf als meetlat gebruik. Dat ik mij bij alles afvraag hoe ik het zou lezen bijvoorbeeld.)

‘Beste Ben’, dat vind ik ook al drie keer niks. Beste van wat? Beste in wat? En waarom meteen de beste? Waarom begint nooit iemand met ‘Betere Ben’? Of ‘Redelijk goede Ben’? Je krijgt toch ook geen straat naar je vernoemt wanneer je nog leeft? Dat is niet voor niets. Dat ‘beste’ staat toch maar mooi zwart op wit, terwijl over een tijdje best eens kan blijken dat iemand anders een veel betere Ben is! Beter in waar je dan ook de beste in zou moeten zijn om te worden aangesproken met ‘Beste Ben’. En zelfs als jij al de beste Ben bent die ooit geboren is, het betekent toch niet automatisch dat er niet ooit een betere – en dus nieuwe –  ‘Beste Ben’ op zal staan?
Toch?

Misschien heeft de moeite die het mij kost een brief te beginnen ook wel te maken met het feit dat ik zelf altijd meteen wil weten wat voor brief ik onder ogen heb. Waar het over gaat. Van een ‘Geachte Berend’ krijg ik dus al meteen de zenuwen. Dat klinkt officieel, afstandelijk, maar komt wel van iemand die mij tutoyeert! Ik zie dan in gedachte een vriend die afstand neemt, een collega die mij er bij gaat lappen, of de buurman die heeft gemerkt dat ik mijn lege verfblikken in zijn groene bak heb gemieterd.
Nog veel erger is ‘Geachte heer Quest’. Ik denk dan meteen aan iets dat ik verkeerd gedaan heb, aan een nog altijd openstaande rekening, een dwangbevel der Koningin of een oproep om te gaan stemmen.
Dat doe ik een ander liever ook niet aan.

Ik loop er dus op stuk, op een brief beginnen.
Misschien zou ik gewoon een brief niet moeten beginnen en meteen met de deur in huis moeten vallen. Maar ja, ik zou niet graag willen dat jij een brief van mij krijgt en je de eerste drie alinea’s zit af te vragen of je wel een brief leest die aan jou gericht is. Dat je als het ware de blossen op de wangen hebt omdat het voelt alsof je stiekem in iemands badkamer zit te loeren terwijl het stoom je om de oren dwarrelt en het geluid van ritmisch op de tegels kletterend water jouw erotische fantasie op hol doet slaan en je derhalve ongewild tot aan de tanden bewapend bent geraakt!
Wat mij brengt op een begin als ‘Lieve Ben’, een begin dat ik persoonlijk te allen tijde zal vermijden. Ik stel mij voor hoe jij een brief die zo begint opent, aandachtig de aanhef leest, een droge keel krijgt, snel je blik naar beneden richt en moet constateren dat de brief ondertekend is door Berend Quest.
Wat een deceptie!

Jammer eigenlijk, dat een brief beginnen mij zo moeilijk afgaat. Ik zou je namelijk best eens willen laten weten dat het mij goed gaat en dat ik ook graag hoor hoe het met jou is.

(Ik bedenk mij overigens dat een brief eindigen een soortgelijk probleem met zich meebrengt, en wellicht wel erger.)

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *