De wording van een kunstwerk

U kent de uitdrukking ‘Dat kan mijn driejarige neefje ook’, meestal geuit na confrontatie met een ettelijke miljoenen kostend kunstwerk. Dat kunstwerk is dan ook vaak gemaakt door een kunstenaar die het kind in zichzelf naar boven probeert te halen. Nu, zo dacht ik, laat ik mijn tweeënhalf jaar oude zoontje eens de opdracht geven een gezicht te tekenen. Door te beginnen met het hoofd. Daarna de neus. Daarna de mond. Et cetera. Op zich kent hij al die delen van het gezicht. Zet ‘m voor een Picasso en hij zal een neus herkennen als een neus, ook al bevindt die neus zich op de plek waar een normaal mens een oor heeft. Afijn, hier het resultaat.

Het hoofd kwam vrij dicht in de buurt van een hoofd.

De neus snapte ik ook nog wel. Ik kon er wel een neus in zien. Hij zat bovendien op de goede plek.

De ogen vond ik al wat vreemder. Twee verticale streepjes. In het blauw, dat wel. Het ene oog bevond zich naast het hoofd.

Wat betreft de kleur was de mond wel aardig getroffen. Maar een verticale mond die zich tussen de twee ogen in bevind… Hoe komt ie erbij?

Bij de oren begon ik voorzichtig aan de verstandelijke vermogens van mijn zoon te twijfelen. Het sloeg zo langzamerhand helemaal nergens meer op. Het portret was volledig van de werkelijkheid los gezogen.

Het haar snapte ik weer iets beter.

Toen ik zei: teken nu de wenkbrauwen en hij kwam hiermee, wist ik eigenlijk wel: hij doet maar wat, want volgens mij had hij nog nooit van het woord wenkbrauw gehoord. Ik had mijn zoon er als het ware ingeluisd. Niet netjes, ik weet het, maar soms moet je niet netjes zijn.

Nog twee wangetjes en het gezicht was klaar. Ik zie het Karel Appel nog niet doen. En niet alleen omdat hij dood is.

Dit artikel verscheen eerder, in iets andere vorm, op Sargasso.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *