De bonen staan er goed bij

Toen zomers zomers waren, lang en heet, groeiden de bonen op het land van Ome Bèr.

‘s Morgens voor hij naar het werk ging, fietste hij eerst naar zijn land. De hark en de schoffel met een touw vastgebonden aan de stang van zijn fiets. Daar aangekomen haalde hij met gieters het water uit de naastgelegen beek en goot hij eindeloos. In de avond, na een dag werken, herhaalde het ritueel zich. De hele zomer lang.

“De bonen staan er goed bij”, zei mijn moeder tegen me. “We moeten plukken.” En zo togen wij naar het land van Ome Bèr, mijn moeder en ik. Ik trok bospeentjes uit de grond, die ik in het beekje schoonspoelde en direct op at. Verder verveelde ik me eindeloos. Dat interesseerde niemand, want de bonen moesten geplukt: de sperziebonen, de boterbonen, de tuinbonen, de snijbonen.

Na het plukken volgde het breken of snijden, blancheren en invriezen. De snijbonen werden op zout gezet, in een grote aardewerken ton. Lange hete middagen zaten mijn moeder en ik bij Tante Riek, de vrouw van Ome Bèr. Ik kreeg snoep in een koffiefilterzakje, terwijl mijn moeder en haar schoonzus al kletsend de kilo’s wegwerkten.

Tot eind augustus aten we bijna dagelijks verse bonen. Vanaf september braken we de diepvries voorraad aan. In de winter en het voorjaar aten we gezouten snijbonen. Het was eind mei, als we constateerden dat de voorraden echt op waren en we met meer dan gemiddelde belangstelling de weerberichten gingen volgen.

Om vervolgens opgelucht adem te halen, en tegelijkertijd bij voorbaat vermoeid te zuchten, als Ome Bèr begin juli meldde, dat de bonen er ook dat jaar weer goed bijstonden.

Ik las dit verhaal op het blog van Sa’id Vanenburg en dacht… vervang een paar woorden en het is mijn verhaal.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *