Parkflarden (2) – Cor

‘Ach, ik zit hier nou toch..’
Met een terloops gebaar, gerijpt door jarenlange oefening honoreert Cor de suggestie van de cafébaas om nog eens in te schenken. Ze begrijpen elkaar zonder veel woorden. De afhankelijkheid aan beide zijden van de tap geeft hun relatie iets van oude vrienden die allebei wel weten waar het schip gestrand is. Een jaar of  70 is Cor en van de herenliefde. Een jongensachtigheid die maar niet wil wijken kenmerkt zijn mimiek en manueel. Cor is elke middag vanaf de schemering goed voor 4 vaasjes en evenzoveel zware shagjes die hij op de ouderwetse manier uit een gedeukt zilverkleurig  doosje draait.
Eerst bevochtigt hij zorgvuldig een vloeitje dat hij met de droge kant in een gleufje bovenaan de doos steekt om vervolgens de tabak in het rubberen holletje vlak daaronder gelijkmatig uit te spreiden. Dan klapt hij het doosje krachtig dicht en ligt er binnenin een verse sigaret op hem te wachten, waar hij met zijn nagels de resterende  plukjes van verwijdert voordat hij van zijn kruk glijdt en met stramme passen naar de rookruimte schrijdt.
‘Even de boel asfalteren’, grapt hij in het voorbijgaan. ‘In de winter kan de zaak lelijk opvriezen en dan krijg je gáten.’

Cor heeft, als bescherming tegen de  streken die het leven hem geleverd heeft, een overtuigende waas van ironie in de groeven van zijn gezicht geëtst. Na een hersenbloeding waar hij in twee jaar wonderwel van gerevalideerd is heeft hij zijn vertrouwde plek aan de bar weer ingenomen en werd hij door de vaste jongens en meisjes zonder veel gedoe weer in hun midden opgenomen. Zo gaat dat hier.
Cor is een van de vaste bewoners die ooit in een van de ruime chalets zijn aangespoeld. Vrije vogels die een strakke cirkel om zich heen hebben getrokken, maar  elkaar aan de bar op neutraal terrein ontmoeten.

Daar heeft hij mij in de loop van de afgelopen maanden stukjes en beetjes uit zijn leven toevertrouwd. Achteloos en in het voorbijgaan, want  onze tijd is te kort om in wrok of verbittering achterom te kijken, vindt hij. En dus vertelt hij met een geamuseerde glimlach over Rotterdam. Waar zijn moeder in de jaren ’40 een bordeel leidde en waar hij, toen nog van ónder de bar, zijn eerste levenslessen leerde. Hij zou er een boek over kunnen schrijven.
‘Maar als ik dat deed kreeg ik alsnog een kogel in mijn harses.’
Met een wijsvinger op zijn slaap geeft hij aan dat hij massa’s BN’ers van wie je dat niet zou verwachten in die tijd bij Ma heeft zien verpozen.
‘Rijk waren we jongen, ríjk! Toen ik 6 was werd ik in de winter alleen op de trein naar Sankt Moritz gezet om er in twee weken te leren skiën.’
Kindermeisjes die hij niet verstond  plukten hem van het station en verwenden hem in het hotel met  meer dan alleen kost en inwoning, zegt hij met een veelbetekenende grijns. Zijn vader heeft hij nooit gekend. Toen Cor 16 was besloot hij  dat het gebrek aan moederliefde hem genoeg redenen gaf om zijn eigen plan te trekken. Naar zee. Hij heeft haar nooit meer gezien.
Twee lange relaties heeft hij achter de rug.
‘Allebei verloren aan de K.’
Cor verlangt niet meer naar vastigheid maar hoopt nog wel een keer naar de Spaanse kust te kunnen gaan om oude vrienden op te zoeken.
Met religie heeft hij niet zoveel. Hij vertelt over de dominee die hem jaren geleden tijdens een ongevraagd huisbezoek besmuikt vroeg hoe dat nou werkte ‘allemaal’.
‘Ik heb het hem in een kwartiertje uitgelegd, toen wist ie het’, zegt hij  met een schaterlach.
Zittend in zijn scootmobiel staat hij elke middag als het weer het toelaat op hetzelfde plekje in een bocht van de bosweg die naar het park leidt.
Als ik langs rijd stop ik even, draai het raampje open en vraag hem wie hij vandaag al op de bon geslingerd heeft.
‘Nog niemand’, roept hij, ‘maar ik hou ze in de gaten, ze zijn met mij nog niet klaar.’

One response

  1. Wat schrijf je toch achteloos mooi, ik wou dat ík dat kon. Maar zoals Heer Ane zegt: je moet roeien met de riemen die je niet hebt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *