Hamburg

Beste Ben,

Dank dat je de honneurs weer voor me hebt waargenomen in mijn afwezigheid. Niet dat het heel erg nodig was, want er was weinig post, begreep ik, maar toch!

Onze korte vakantie in Hamburg was zo goed als perfect. Ik zal je weer even en ander over mijn zoon vertellen, want van jou weet ik in ieder geval zeker dat je het kunt waarderen.

(Soms voel ik me wel schuldig dat ik zo veel over hem vertel. Ik kies ervoor om zijn naam niet te noemen, omdat hij, met zijn tweeënhalf jaar nog niet in staat is om te kiezen of hij met zijn naam op het internet wil, maar tegelijkertijd vertel ik wel van alles over hem en geef ik hem daarmee een zekere identiteit, die is opgebouwd uit kleine anekdotes die ik tekenend voor ‘m vind. Straks, als hij ouder wordt, komt hij er ineens achter dat er tientallen verhaaltjes over hem op het internet staan, geschreven door mij, zijn vader. Dan ontdekt hij dat hij op internet bekend staat als de zoon van Max Molovich. Wat zal ie daarvan vinden?)

(Ondanks deze overpeinzingen ga ik natuurlijk vrolijk verder. Hij heeft nog niks te willen. Daar moet je gebruik van maken.)

Ik heb, eigenlijk voor het eerst, in het openbaar echt tegen ‘m moeten uitvallen. Vorige week zondag, de dag voor Koninginnedag, waren we vertrokken. We hadden besloten in twee dagen naar Hamburg te rijden. Die avond stopten we in Osnabrück. Mijn zoon, die een zeer enthousiaste aard heeft, was door het dolle heen dat we op vakantie gingen. Zijn idee van vakantie was een weekendje dat wij onlangs in een Landal-park hadden doorgebracht. En daar heb je een zwembad, speeltuinen en heel veel chocomel. Dus toen wij in Osnabrück waren aanbeland en er geen zwembad in ons hotel bleek te zijn, Osnabrück een vrij eentonig centrum bleek te hebben en het cafeetje dat wij bezochten geen chocomel serveerde, was mijn zoon diep teleurgesteld. “Geen leuke vakantie”, zei hij beteuterd, “andere vakantie.” Morgen, zeiden wij, morgen gaan we naar een andere vakantie. Hij accepteerde het schoorvoetend, maar in de minuten erna werd hij steeds opstandiger, op een vrij luidruchtige manier, en op een gegeven moment zag ik me genoodzaakt hem goed vast te pakken en, na een paar keer tevergeefs ‘ophouden’ te zeggen, ‘EN NOU IS HET AFGELOPEN’ te schreeuwen en ‘m vrij ruw in een stoel naast me te zetten, waarna hij het op een huilen zette. Je voelde al die Duitse ogen: Typisch Hollands kind. Niet in de hand te houden. Geen land mee te bezeilen. Slappe ouders. Hebben hun kind niet onder controle. Et cetera.

Al die Duitsers zijn zelf natuurlijk ook zo verdammte beheerst. Dat is allemaal voor een groot deel schijn, want stiekem kookt er van alles. (Neem dit filmpje van Harry Enfield, dat geeft wel een aardig idee van de Duitse volksaard.) We weten allemaal waar dat toe heeft geleid, in een nog niet zo heel ver verleden. In Hamburg zagen wij nog ergens een spandoek hangen, waarop we lazen ‘HAMBURG GEGEN NAZIS’. Sympathiek, dacht ik, maar wel een beetje laat. Overigens, vlak nadat ik dit had bedacht en met mijn hoofd een beetje bij de geschiedenis van Duitsland zat, en bovendien toevallig langs een vesitging van de Hamburger Sparkasse reed, bedacht ik me dat John F. Kennedy maar wat bofte dat De Muur in Berlijn en niet in Hamburg stond. Ik moest er zelf om grinniken. Ongetwijfeld is deze grap al jaren in de omloop, maar ik had ‘m zelf nog nooit gehoord en werd door een licht euforisch gevoel overvallen toen ik ‘m bedacht.

Maar waar was ik? Nergens, eigenlijk. Ja, in Hamburg. Wat je die Duitsers wel moet nageven: ze houden heel veel rekening met kleine kinderen. Cafés hebben altijd wel een speelhoekje (behalve dat café in Osnabrück dan). En veel winkels ook. In één van die winkels vonden wij erg goede schoentjes voor onze zoon. We riepen hem, maar hij kwam niet, omdat hij te leuk aan het spelen was. Er kwam een verkoopster bij. Die vroeg hoe hij heette. We zeiden zijn naam. Zij riep zijn naam. Hij keek. “Hier kommen”, zei zij. Hij kwam. “Hier stehen”, zei zij. Hij ging voor haar staan. “Gib mir deinen Fuß”, zei zij. Hij deed zijn voet omhoog. Zij schoof er een schoen aan. “Andere Fuß”, zei zij. Hij deed zijn andere voet omhoog. “Gut?”, vroeg zij. Hij knikte. “Bist du im Urlaub?”, vroeg zij. Mijn zoon keek haar niet begrijpend aan. “Machst du einen schönen Urblau?”, vroeg zij. Hij keek haar nog steeds niet begrijpend aan. “Ze vraagt of je een leuke vakantie hebt”, zei ik. Hij aarzelde even en gaf haar toen een kusje. Ze was perplex.

Later probeerde ik het ook, om hem in het Duits toe te spreken. Maar het werkte niet. Hij gehoorzaamde me niet zoals hij de verkoopster had gehoorzaamd. Dat komt, volgens mij vrouw, omdat er in mijn bevelen, ook al zeg ik ze in het Duits, altijd een uitweg ingesloten zit. Als ik zeg: “Hier kommen”, kun je daar een: “of wil je liever daar blijven?” achter denken. Het heeft misschien wel een beetje met de taal te maken, maar je moet het wel kunnen, bevelen geven. Je moet het menen.

Hier laat ik het even bij.

Warme groet,

Max

12 responses

  1. Ik waardeer de stukjes over je zoon zeer, dat heb je goed gezien. Ik wou dat het internet al in 1953 had bestaan en dat ik een vader had die zo over mij geschreven had. Jij hebt een zeer goede tussen-neus-en-lippen-stijl van schrijven.
    Ondertussen merk je ook dingen op die het verschil uitmaken tussen Duitsers en Nederlanders. Zou een bord met ‘UTRECHT TEGEN DE NSB!’ hier mogelijk zijn? Nee. Maar het kan wel in Duitsland. Al denk ik dat ze in Hamburg ‘NEONAZIS’ bedoelden. Utrecht zou een proces aan zijn broek krijgen van Geert Wilders, die zich bedreigd of zoiets voelt. ‘Het is toch een sjande dat die Pagtij van de Agabiegen-buggemeesteg zomaag blijft zitten?’ Etc.
    Of men in het Duits betere bevelen kan uitvaardigen dan in het Nederlands, weet ik overigens niet. Dat zou eens onderzocht moeten worden met de honden, want die beveel je: zit! lig! waak! Volgens mij doen Nederlandse honden dat even goed als Duitse honden. Ik woon in het toeristisch aantrekkelijke Egmond aan Zee, waar veel Duitsers komen, sommigen met hun hond. Je kunt wel merken dat ze ook het bevel ‘Stil blijven liggen!’ in het arsenaal hebben. Dat zie je bij de C1000 bijvoorbeeld en op de terrassen. Op die terrassen zie je ook wel Duitse kindertjes, die daar keurig aanzitten en hun patat en appelmoes opeten, naast papa en mama. Er zat een keer een stel met hun zoontje. Ik ging achter ze zitten. Zoontje kijkt om, en mama zegt: ‘Essen, Ronald!’
    Uit die kleine scène concludeerde ik al dat er uit Duitsland héél weinig astronomen, wiskundigen, natuurkundigen van wereldformaat komen, als je begrijpt wat ik bedoel.

    • Het zou toch niet voor niets zijn dat de Duitse herder zo’n goede politiehond is? Gehoorzaamheid en trouw zit ‘m in het bloed. Los daarvan: zit! lig! waak! zijn vrij dwingende woorden. Wij hebben ze dus ook. Het was iets in de toon van die vrouw die ‘t ‘m deed. Niet onvriendelijk, maar zeer dwingend. En het had een zekere efficiëntie. Ooit zat ik op het terras van een café waar ze een Colombiaanse afwasser hadden. Die zat ook op het terras, even een momentje rust pakken. Een serveerster kwam langs. Hij zei iets met vrij veel woorden. Ik vroeg wat hij vroeg. Hij zei dat hij om een espresso had gevraagd. Ik vroeg waarom hij daar zoveel woorden voor nodig had. Hij zei, omdat ik lettelijk zei: hallo dagelijkse zonnestraal op mijn ochtenddauw, zou jij met je lieve kontje ervoor kunnen zorgen dat ik zo meteen een espresso kan drinken? Of woorden van een dergelijke strekking. Dat soort zinnen rolden automatisch van zijn tong. Volgens hem hadden alle Spaanstaligen dat. Ik weet niet of er veel Spaanstalige astronomen, wiskundigen en natuurkundigen van wereldformaat zijn. Maar wellicht bedoel je dat er een zekere drang tot ongehoorzaamheid in iemand moet zitten, wil hij buiten de gebaande paden durven treden zodat hij echt iets nieuws kan bedenken. Ik wist trouwens niet dat ze in Duitsland zo weinig astronomen, wiskundigen en natuurkundigen van formaat hadden.

      • In de Weimartijd en ook wel ervoor hadden ze in Duitsland allerlei geleerden en ook allerlei kunstenaars van wereldformaat, maar dat aantal is sterk afgenomen sindsdien. Ik denk dat dat iets te maken heeft met de vrijheid (en dus: de nieuwsgierigheid) die je je kinderen gunt of misgunt.

  2. Rudi Carrell vertelde eens in een interview (ik lees ontzettend graag interviews met artiesten die ik verder niet kan luchten of zien) dat hij die grap over Kennedy had proberen te maken voor een Duits gehoor, en dat hij niet aankwam. Terwijl hij toch normaliter best een connect had met Duitse gehoren.

  3. Toen ik de grap bedacht en ik nog niet meteen besefte dat de grap vermoedelijk al door iemand was verzonnen de dag nadat Kennedy in Berlijn zijn toespraak had gehouden, overkwam mij een gevoel dat ik het Pudding & Gisteren-gevoel wil noemen. Het gevoel dat ik had toen ik voor het eerst in mijn leven een mop snapte, die in mijn geval dus over Pudding & Gisteren ging, waarvan een van de twee vanuit het zolderraam op het hoofd van de postbode poept. Moeder: Was het Pudding? Postbode: Nee, poep. Moeder: Was het Gisteren? Postbode: Nee, vandaag.

    • Max, de mop gaat volgens mijn geheugen zo:
      Moeder: Was het Gisteren? Postbode: Nee, vandaag. Moeder: Was het Pudding? Postbode: Nee, klinklare stront!
      Dit omdat poep bij kinderen toch de uitsmijter is.

    • En dat deed mij weer denken aan die, lange mop uit de panzerfaust.org tijd Nein, zwei!! was de clou. (Duitse spion in Engeland die twee Martini’s bestelde, de kelner: dry? de Duitser: nein Zwei!.)Heerlijk.

      • Ja, da’s een meesterlijke mop. Hij moet eigenlijk heel lang duren. Degene die mij de mop vertelde, zei dat ook, dat die mop eigenlijk heel lang moest duren. Dat die Duitse spion moest infiltreren en dat ie dan van alles moest leren. Hoe je op de juiste manier een das knoopt en zo. En hoe je je thee hoort te drinken. Het vertellen van de mop vereist dus enige kennis van Engelse gebruiken. Het aardige is, ik heb de mop dus eigenlijk nooit gehoord zoals ie verteld moet worden.

  4. Check:

    Dat filmpje van Monty Python doet ook denken aan dat verhaal over die Duitse spion die een jarenlange opleiding krijgt om Engels te worden, opdat hij in hoge Engelse kringen kan infiltreren. In het diepste geheim leert hij accentloos Eton Engels te spreken. Hij maakt zich de Engelse etiquettes eigen, hij leert de geheimen van tweed, hoe je een wolkje melk in je thee vraagt, hij leert om te gaan met het stijlmiddel understatement (zeer moeilijk voor een Duitser), hij leert op hoog niveau cricket spelen, hij leert hoe je je stiff upper lip onder controle houdt wanneer iemand je beledigt, hij leert zelf ook hoe je iemand in even vernietigende als beschaafe bewoordingen beledigt, hij leert, kortom, hoe je every inch een English gentleman moet zijn.

    Afijn, nadat de Duitse spion zijn opleiding heeft afgerond, heeft zijn spionagedienst een ontmoeting geregeld met een naaste medewerker van Winston Churchill in de lobby van het Grosvenor. Alles gaat perfect. De Duitser praat en gedraagt zich als een voorbeeldige Engelsman uit de upperste upper class. De naaste medewerker van Winston Churchill verbaast zich er wel over dat hij de man nog nooit eerder heeft ontmoet, maar dat weet de spion snel te pareren door op te biechten vanaf zijn vroege jeugd in India te hebben doorgebracht.

    Alles loopt kortom op rolletjes. Na de thee stelt de spion voor om op wat sterkers over te gaan. Of hij zijn gespreksparter wellicht in een sherry kan interesseren. Nou, dat wil de naaste medewerker van Churchill wel. De spion wenkt de ober en bestelt twee sherry.
    “Dry?”, vraagt de ober.
    “NEIN, ZWEI!!”, schreeuwt de spion.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *