De oude Horst [2]

De oude Horst zit weer in zijn leunstoel en mijmert wat voor zich uit. Over dat het zondag is en het buiten al minstens een uur of zes aan één stuk door motregent op een uiterst gelijkmatige manier. Werkwoorden zijn eigenlijk ongeschikt als men een poging doet om het karakter van deze motregen te omschrijven. Omdat het werkwoorden zijn en als zodanig nu eenmaal een bepaalde activiteit suggereren; ze heten niet voor niets wérkwoorden. Maar deze miljoenen minieme waterdruppeltjes werken niet. Nee, ze zaten vredig bij elkaar in de wolken, niets verwachtend en nergens naar strevend, tot plotseling hun schuilplaats weigerde ze nog langer tegen de zwaartekracht te beschermen en ze naar beneden begonnen te vallen. Hoewel, ‘vállen’ is al te dynamisch uitgedrukt, het is meer een wil- en geruisloze verplaatsing in tijd en ruimte die ze gelaten ondergaan. Horst heeft altijd al van motregen gehouden, zo lang als hij zich kan herinneren. Motregen legt, mits zij lang genoeg aanhoudt, een nivellerende en relativerende deken over de wereld waardoor alles en iedereen gelijkgeschakeld lijkt te worden. Want of je nu mens, dier of plant bent, jong of oud, gezond of ziek, arm of rijk, razend intelligent of zo stom als het achtereind van een varken, als de weergoden hebben besloten dat het zes uur achter elkaar gaat motregenen, dan heb je je daar maar bij neer te leggen, want er is niets tegen te doen. Je staat machteloos, ‘resistance is futile’. Dit effect schijnt nog op subtiele wijze versterkt te worden door de egaalgrijze kleur van de lucht waarmee een goede motregen gepaard gaat. Als de motregen lang genoeg doorgaat met zichzelf te zijn, dat wil zeggen minstens een uur of drie, en er aan enige bijkomende randvoorwaarden van ondergeschikte aard voldaan wordt, raakt Horst niet zelden in een verstilde, vredige, ja bijna gelukkige stemming, waarin geen toekomst en verleden bestaat en waarin hij in staat blijkt zijn lichamelijke en geestelijke ongemakken soms even te vergeten. Hij heeft dan verder niets nodig, behalve misschien dat hij met rust gelaten wordt. Die rust is hem vandaag niet gegund want er wordt op de deur geklopt. Horst schrikt op en roept reflexmatig: ‘Ja, kom maar!’. De deur zwaait open en zuster Anna treedt energiek de kamer binnen, het koffiekarretje met vaste hand voor zich uit duwend. ‘Goedemiddag meneer Horst! U krijgt er vandaag een stroopwafel bij want mevrouw Bartels is jarig! Ze is 93 geworden maar geeft nog zelf de planten water! Een stroopwafel gaat er zeker wel in, of niet soms, meneer Horst! Horst zwijgt en zuster Anna vervolgt met onverminderd luide stem: ‘Wat een naar weer hé, een mens wordt er gewoon beroerd van! Maar volgens de krant is er morgen weer zon, dus dan hebben we in ieder geval iets om naar uit te kijken!’

2 responses

  1. Als ik eerst ‘werk werk’ lees en daarna Horst2, rijst het vermoeden dat de schrijver een diep verlangen heeft naar de afloop van een lang, consequent indolent leven zoals hierboven beschreven.. Met een bedenkelijke doch aangename rol voor zuster Anna, waar ik nog veel van verwacht qua hand-en spandiensten.
    In het werk van Brandsen begint zich een centraal thema af te tekenen, wat precies, daar heb ik nu nog even even geen idee van..
    Maar het leest lekker..!

  2. ‘Werk werk’ is van 5 jaar geleden. En in een liefdesbrief van 20 jaar terug had ik het over het ‘lange wachten’ dat misschien samen beter te doorstaan was. Dit om je te helpen. Qua centraal thema.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *