Speelsheid en humor

De heer Verhaar (met wie we hier al kennis maakten) blijkt ook thuis te zijn in het leven der plaatselijke insecten. Ik kwam hem vanochtend tegen toen ik wat rondwandelde even ten noorden van Dirkswoud, tussen de hunebedden. Hij heeft er een buitenhuisje, zoals hij het noemt, maar eigenlijk is het een oud schuurtje. ‘Hier kom ik tot rust, jongen,’ zei hij. Toen we eenmaal gezeten waren (op twee afgezaagde boomstronken; het buitenhuisje van de heer Verhaar stond vol dozen: schoenendozen, televisiedozen, computerdozen), zei hij: ‘Je weet mijn voornaam niet, meneer Hoogeboom. Welnu, mijn ouders hebben mij Emile genoemd, maar de mensen zeggen tegenwoordig Emir tegen me.’ Hij pakte een vergrootglas en keek door dat vergrootglas naar mij. Ik wist niet of schateren onbeleefd zou zijn, maar ik kon mijn lachen niet houden en toen ik eenmaal was begonnen, schaterde meneer Verhaar volop mee.

‘De entomologie is een prachtig vak, als je het participerend aanpakt,’ zei hij en hij liet me een boek zien, Overleven in een mierenhoop door E. Verhaar. Het was uit 1981, zag ik. ‘Dat waren spannende tijden in de insectenkunde. Ik had al Bij de bijen geschreven, een groot succes in de academische wereld. In dat boek heb ik de zangkunst van een bijenvolk beschreven. Zzzz, zzzz, zzzzzz enzovoorts. U weet dat ik ook gitaar speel, ik kan vrij goed de toonhoogte houden.’ Weer keek hij me aan door zijn vergrootglas, en weer wist ik me geen houding te geven. ‘Je moet lachen in het leven, jongen!’ zei meneer Verhaar.

‘Bij die mierenhoop heb ik getracht aan te tonen dat mieren kunnen leren. Dat was een heet hangijzer, toen. Ik heb mijn onderzoek als volgt aangepakt. Ik ontblootte mijn rechterbeen, ja, je bent een participerend wetenschapper of je bent het niet. In een grote mierenhoop stak ik dat rechterbeen en dat been heb ik daar gehouden van 14 mei tot 27 juli 1980, ongeveer tweeëneenhalve maand dus. Mijn medewerkers zorgden voor het eten en voor een soort half tentje, zodat ik ’s nachts kon slapen. Eerst deden ze me gemeen pijn, die mieren, maar toen dat blijkbaar geen effect had, stopten ze met de agressiviteit. Ze gingen er een voordeel in zien, zo’n mensenbeen in hun huis. Toen ik mijn been er op 27 juli uittrok, had ik een broedkamer tussen mijn knieholte en de rest van mijn been zat onder de schimmel. En daar heb ik dus dat boek over geschreven. Ja, mooie tijden…’

Hij keek me weer aan door zijn vergrootglas. ‘En nu ben ik bezig de luizenculturen te bestuderen. Die luizen zitten in deze dozen. Hier zit de hoofdluis in, in die grote doos in de hoek zitten de schaamluizen en zo heb ik alle in Dirkswoud voorkomende luizensoorten verzameld.’ Hij zag me in mijn hoofdhaar krabben, pakte zijn vergrootglas en barstte in lachen uit.

9 responses

  1. Kan ik me helemaal voorstellen dat je je verdiept in een mierenhoop, je ziet de mieren, en je vraagt je af waarom doen ze wat ze doen, weten ze dat zelf, is een enkele mier nog een individu of is tie gewoon mier nummer zoveel, en hoe communiceren ze. Bijen, ook gaaf, met dat stuifmeel-verzamelen rond hun pootjes.

  2. Het draait allemaal om in leven blijven en voorplanten, net als bij mensen. En bij hen kun je je ook afvragen of ze individuen zijn of gewoon mens nummer zoveel.
    Enz.

  3. Goed stukje, maar zo’n obligaat einde heb jij niet nodig Ben! Dat lachen in de eerste alinea is al zo mooi, dat hoeft niet terug te komen. Maar ter zake: heb jij Mensenarm dierenrijk van Hugo Brandt Corstius gelezen? Gaat bijna helemaal over mieren! Prachtig boekje.

  4. Nee Wouter, ik kende zelfs de titel niet van dat boekje van HBC (mooie titel). Dat einde, daar heb je gelijk in, dat is 19e-eeuws, dat had iets anders gemoeten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *