Rust zacht Doeschka Meijsing

Dit stuk verscheen eerder op De Jaap.

Ik zal het gewoon maar eerlijk zeggen: ik heb nooit echt wat van je gelezen. De liefste vriendin die ik ooit had gaf me je prijswinnende boek om te lezen: Over de liefde. Ik kwam er niet doorheen. Niet eens omdat het over al je stukgelopen relaties ging. Meer omdat het Litteratuur met drie t’s een grote L was. En voor sommige Nederlandse Litteratuur geldt blijkbaar dat het pas een prijs kan winnen als het met een betonmolen geschreven is. Ik heb dat altijd vreemd gevonden. De woorden van Steinbeck of Woolf of Reve smelten op de tong als versgevallen sneeuwvlokken. Jouw woorden niet. Ik kauwde erop tot mijn speeksel op was. Nog steeds verwarrend en gortdroog. Ik had geen drilboor. De moed zonk me in de schoenen. Ik legde het weg. Over de liefde ligt ergens in een kast. Ongetwijfeld is het een meesterwerk.

Lieve Doeschka, ik las op Wikipedia dat je van vrouwen hield maar dat je je ook nadrukkelijk tegen die vorm van liefde hebt uitgesproken. Dat ging me aan het hart. Gedoemd tot een soort kerkelijk Stockholmsyndroom, dacht ik. Een heel leven lang je eigen hart veroordelen, wat erg. Maar even verder zoekend trof ik gelukkig een prima leesbaar stukje aan, waaruit blijkt dat je een stuk goedmoediger en ruimdenkender was dan dat. Dat je goed bevriend was met Frans Kellendonk, iemand die ook graag verwarring zaaide over zijn houding ten opzichte van zijn eigen homoseksualiteit. Dat mensen met je konden lachen over seks en over God. Toen dacht ik voor het eerst: God wat jammer. Jammer dat iemand waar je echt mee kon lachen er niet meer is.

En dat kerkelijke Stockholmsyndroom valt ook wel mee. Ik vond een essay van je over God. Daarin ben je meer dan duidelijk over het opperwezen. “Geef mij maar een pijp tabak.” Maar je laat ook zien hoe kwetsbaar je geweest moet zijn. Ter vervanging van de hemel voer je in het essay een plek op waar alle boeken die er op deze planeet toe doen staan: de ‘Wereldbibliotheek’. In die bieb gelden simpele regels. De eerste regel is dat, op straffe van verbanning naar een plek waar het altijd waait, niemand iemand anders pijn mag doen, verdrietig maken, of angst aanjagen. En dan komt het: “Regel twee, daaraan gelijk, is een verbod op Communicatie met een levend mens, anders gezegd een gebod tot absolute Silenzio. Je mag er alleen praten met de Engelen, dat zijn vrouwen met doorschijnende vleugels.”

Jeetje. Fluisteren in de bieb kan zo mooi zijn, Doeschka. Wie veel ongelukkige liefdes heeft meegemaakt, wantrouwt iedere vorm van intermenselijke communicatie. Dat snap ik. Ik heb ook wel van die dagen dat ik denk: laat maar. Ik zeg wel niets meer. En laat iedereen alsjeblieft zijn mond houden. Maar uiteindelijk geloof ik in de schoonheid van het onvolmaakte. In de intentie van de communicatie en in de eetbaarheid van fruit met zwarte plekjes. Jij niet. Verderop in je essay openbaar je dat je Engelen eigenlijk bibliothecaressen zijn, die je glimlachend om je perfecte keuze boeken aanreiken. En ineens zag ik de jonge Doeschka voor me. Ik zag je als een onopvallend meisje, dat zich het liefst onzichtbaar maakt. Een meisje dat de dag doorbrengt met boeken lezen en dromen. Dat het liefst een muur van literatuur optrekt tussen zichzelf en de wereld.

Misschien waren bibliotheekmedewerkers wel je enige echte jeugdvrienden. Glimlachend om je voorliefde voor serieuze schrijvers als Evelyn Waugh. Je favoriete boek was Waugh’s Brideshead Revisited. Je hebt het nadat je het in de bieb ontdekte misschien wel vijftig keer herlezen, elke zomer opnieuw weer. Brideshead Revisited gaat over de ondergang van het Britse Imperium. “Over het hele verhaal hangt de droevige vertellersstem: voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij,” quote de Volkskrant je in een interview. Elke zomer weer, terwijl de natuur op haar uitbundigst mooi stond te wezen, las jij over herfst en winter, over teloorgang en over droefenis. Ik vermoed dat dat onder ‘zwelgen’ valt. Literatuur wordt in eenzaamheid geboren, maar helaas ook maar al te vaak uit eenzaamheid. Ik hoop dat je niet alleen gestorven bent.

2 responses

  1. De crux van regel 2 zit ‘m in de woorden ‘daaraan gelijk’. Want de eis dat je niemand anders pijn mag doen, verdrietig maken of angst aanjagen kan enkel worden afgedwongen door een verbod op communicatie met een levend wezen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *