Ik ben Wubbo Ocksels III: Na het Incident

Lees vooral ook deels 1 en 2 van dit bloedstollende verhaal.


Wubbo liep naar buiten. Gehaast, en met tegen elkaar schurkende knieën. Wat de hel. Wat de hel? Met trillende hand graaide hij in zijn broekzak naar de autosleutels, die hij er hard rinkelend uittrok. Wat kleingeld kwam mee, wat klingelde op de grond. Hij liet het liggen. Wat de hel?? Wat de hel???? Wat de HEL was er zojuist gebeurd?? Hij probeerde de sleutels in het slot te proppen. Een paar keer mislukte dit, en één keer maakte hij een kras in de lak. Interesseerde hem niet. Hij stabiliseerde zijn hand met de andere hand, en duwde de sleutel door. Wat de HEL WAS DAAR ZOJUIST GEBEURD.
GFHLOPBrroppprrobb. Zelfs het gekraak van zijn leren stoelen maakte hem nerveus.

Op het moment dat hij zijn rammelende sleutelbos naar zijn stuur bewoog zag hij de schaduw voorbijflitsen. NIET WEER. In een reflex wist hij de auto op te starten, te koppelen en gas te geven en in zijn 1, 2, 3 door te rammen. RRROOOOOAAAAARRRRRRR!!!! klonk het achter hem, duivels, wild gekrijs. NIET WEER. Wubbo trapte het gaspedaal harder door met het van inspanning trillende puntje van zijn voet. RRRRRRRRROOOOOOOOAAAAAARRRRRR!!!!
*PATS* een klap, en een explosie van bloed en rook. Wubbo begon te gillen. De nachtmerrie. De achterkant van de auto begon van links naar rechts en terug te wobbelen, onder het geraas van de motor en gepiep van banden. Wubbo bleef gillen. BANG!! Een van zijn banden klapte. BANG!!! De ander. Een metalisch krassend geruis van de velgen die over de weg schuurden en vonkten. Wubbo zijn gegil ging over in wild gekrijs, zijn mond wijd open, zijn handen verkrampt om het stuur. “AAAAAAAHHH,” krijste hij, “AAAAAHAAAAAAAAHAAAAAAHHH!!!”
KUT de auto stond nog steeds op de handrem. Wubbo liet het gas los waardoor de auto eindelijk begon op te houden met de weg te laten smelten. In zijn spiegels zag hij dat de gloeiende velgen in een bubbelende plas rubber lagen. Snel zijn gordel om, en de auto van de handrem het maakt niet uit snel weg hier niemand heeft het gezien maar hij moet snel…

*klopklopklop*

De politie tikte op zijn raam. GODVERDOMME WAAR KWAMEN ZIJ… Wubbo haalde diep adem. Geen paniek. Het is geen probleem. Ontspan. Hij moest zich gewoon normaal, rustig en kalm gedragen. Zodat hij niet zou opvallen. Je kan het, Wubbo.
Langzaam blies hij zijn adem uit, zich concentrerend op zijn inzakkende borstkas. Hij sloot zijn ogen.
*klopklopklop* deed de agent weer op zijn raam. Wubbo draaide het open, en keek vaag glimlachend de agent aan.

“Hee,” groette hij, “Is er iets aan de hand?” vriendelijk vragend, om zich heen kijkend.
De agent keek van Wubbo naar de rokende plas bloed achter zijn auto en weer terug. Hij deed zijn zonnebril af.
“Mijn collega en ik liepen toevallig voorbij,” zei de agent. Wubbo knikte.
“Volgens ons heeft u mogelijk iets overreden,” ging de agent verder. Zijn collega liep naar de achterkant van de auto.
Wubbo keek de agent glazig aan.
“Oh ja? Dat is me helemaal niet opgevallen.”
De agent nam een van de pootjes van zijn zonnebril in de mond en kauwde er aandachtig op.
“U heeft twee klapbanden meneer,” zei de agent bij het raam op een bedenkelijke toon.
“Het is een kat,” riep de andere agent, die gebukt zat bij de wielkast. Met een pen probeerde hij het beest tussen de remschijven uit te pulken. Wubbo draaide zijn hoofd uit het raam en keek naar zijn achterbanden.
“M-mm,” knikte hij. Inderdaad. Geklapt.
“We hoorden u gillen achter het stuur,” ging de agent bij het raam verder.
Wubbo keek hem aan, zijn glimlach verdiepend. Hij knipperde een paar keer.
“Ja,” bekende hij, “Oh ja.”
De agent bleef hem aankijken, blijkbaar een verdere uitleg verwachtend.
“Het ging even niet goed,” verklaarde Wubbo.
De agent reageerde door overdreven verbaasd zijn gezicht te bewegen.
“Nu gaat het wel weer,” zei Wubbo. De agent reageerde overdreven opgelucht, metaforisch zweet van zijn voorhoofd vegend.
“Ik ben blij dat te horen, meneer…”
“Wubbo,” verduidelijkte Wubbo zijn waarschijnlijk toch wel bekende voorkomen.
“Wubbels.”
Wubbo wou hem corrigeren, maar kreeg toen de kattenkop voor zijn gezicht gepresenteerd. Zo dichtbij dat Wubbo er scheel van keek. De kattenogen keken ook scheel, alleen dan allebei naar buiten gedraaid. De schedel zelf was tussen de oren naar binnen gedrukt, en zat nu in de vorm van een afgeplat hart.
“Is dit uw idee van humor soms meneer?” zei agent nummer twee.
“Wat? Nee!”
“Het ging even niet zo goed met meneer Wubbels,” legde agent 1 uit, zijn blik niet van Wubbo afhalend.
“Oh,” zei agent twee. “Ooh. Het ging niet goed… met meneer Wubbels. HOE DENK JE DAT HET MET DEZE KAT GAAT, WUBBELS?”
“Maar nu gaat het weer een beetje met hem”, zei agent 1 weer.
“Oh?” reageerde agent twee, “Met jou gaat het nou wel weer? Ik ben blij dat te horen, WUBBELS.”
“Dat zei ik ook al,” knikte zijn collega. Wubbo werd nerveus van zijn alsmaar aanstarende blik.
Agent twee keek de kattenkop in zijn schele ogen.
“Ik vraag me af hoe het met dit katje gaat. Oh ja. NIET. HET GAAT NIET MEER. Maar hoe ging het? Hoe ging het met dit katje, toen jij het VIJF MINUTEN LANG MET JE ONBESCHOFTE GIERENDE BANDEN DE VERNIELING IN VERMAALDE, ACHTERLIJKE KLOOTMONGOOL?? Nee,” hij trok zijn woedende gezicht in een neutrale plooi, “Nee maar dat is waar. Met U ging het niet goed. Met u niet. LATEN WE HET DAAR OVER HEBBEN,” zei hij, beide handen door het open raam op het portier klappend.
“Hoe gaat het met u meneer Wubbels,” zei hij kalm. Wubbo keek hem met wijdopen ogen aan, proberend zijn cool te bewaren. Zijn trillende wenkbrauwen braken de linie.
“Wilt u een glaasje water misschien,” zei de agent weer kalm. Wubbo schraapte zijn keel, en kreeg daarop weer de kattenkop tien centimeter voor zijn gezicht.
“MISSCHIEN WIL DE KAT OOK WEL WAT, WUBBELS. Maar daar hebben we het niet over,” zei hij, weer kalm. Alleen de witte knokkels deden vermoeden dat misschien de agent toch wel een probleem had met deze situatie.

“Maar,” begon Wubbo voorzichtig, “… Ik bedoel, ik zeg niet dat… Maar, wat ik wil zeggen, is dat, ik zeg niet dat het niet slecht gaat met de kat, slechter,” benadrukte hij, “Veel slechter, maar, wat ik dus wil zeggen, het ging niet zo goed, en toen had ik het dus niet door. Dat het een ongeluk was dus.”
De agenten keken hem aan.
“Er een ongeluk was,” verbeterde Wubbo zichzelf. Agent twee bukte, en keek naar het plafond van de auto. Toen hij merkte dat Wubbo vragend zijn blik volgde, sprak hij: “Oh sorry. Ik zocht naar de wielen die bezig waren JOUW hoofd te verpletteren, Wubbels.”
“Nee luister,” hakkelde Wubbo, tot irritatie van de agenten die de gebiedende wijs zeker niet wisten te waarderen, “Ik zeg toch niet dat het net zo erg was, maar ik had het niet door. U kunt niet… U kan wel zeggen dat de kat erger was, en dat klopt, maar omdat het met mij niet goed ging, had ik het niet door. Dus u heeft gelijk, maar wat ik wil zeggen is, dat het lijden van de kat hier geen oorzaak… Ik bedoel, geen… Nou ja, dat de kat dus, dat die niet uitmaakt voor deze kwestie.”
De blik van de agenten, deed hem zijn nerveuze argumentatie nog harder vervloeken dan hij normaal zou doen.
Agent twee hield weer de kattenkop omhoog. “Deze kwestie,” herhaalde hij Wubbo’s woorden.
“Dus wij hebben gelijk,” zei Agent 1.
“En die kat maakt niets uit, niets. Niks,” zei Agent twee.
“Want met u ging het niet goed,” zei Agent 1, noterend.
“Nee,” zei Wubbo, waardoor Agent twee gefrustreerd zijn schouders ophaalde, “Wat ik wil zeggen is dat de kat niet de maatstaf is van mijn acties, ik bedoel, het is het gevolg, en dat spijt mij, ik wil alleen uitleggen waardoor dit kon gebeuren.”
“Omdat u de maatstaf bent,” concludeerde Agent 1 vragend.
“Oh nou wordt die mooi,” gromde Agent twee, die tegengehouden moest worden door Agent 1.
“Van mijn acties!!” piepte Wubbo. Hij begreep er nu zelf weinig meer van. GODVERDOMDE KLOTE REUSACHTIGE ENORME KLOTE KUTEEND!!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *