De kleine Horst [3]

Op zijn kamertje staart de kleine Horst naar het plafond. Naast hem op het bed ligt een dik boek uit de bibliotheek met de titel ‘HET HEELAL ONTRAADSELD’. De kleine Horst heeft het net uit en is aan het bijkomen van de inhoud. Want hij is danig onder de indruk geraakt van de ontelbare sterren en planeten en de onvoorstelbare grootte van het universum. Die afstanden! Triljoenen en triljarden kilometers zou je door het heelal kunnen vliegen zonder ergens tegenaan te botsen. Het deed hem denken aan een atoom, want daarover had hij eens gelezen dat het voor minstens 99,99999 procent uit lege ruimte bestond. Een gigantische hoeveelheid niets. Hij had zich toen afgevraagd hoe het mogelijk was dat je dan niet overal dwars doorheen keek, maar in welke bochten hij z’n hersens ook wrong, hij was er niet uit gekomen. Het heelal bleek nu precies even leeg te zijn. En koud dat het er was! Daarmee vergeleken kon je de Noordpool gerust een tropisch oord noemen. Horst huiverde bij de gedachte aan zoveel kou, een rilling trok over zijn ruggegraat. En het was vlakbij, want eigenlijk begon de ruimte al buiten de huisdeur. Gelukkig was hij hier in z’n kamertje veilig, de muren waren dik genoeg. Hoewel, je wist het niet. En toen dacht hij ineens aan de ramen en huiverde. Want het glas kon nooit meer dan een paar millimeter dik zijn en dat kwam hem voor het eerst in z’n leven hoogst ontoereikend voor. Hij draaide zich op z’n zij, met de rug naar de muur, en sloeg het boek open. Na enig heen en weer bladeren vond hij wat hij zocht, het hoofdstuk over de planemo’s. Want hoe ontzagwekkend hij alle rondcirkelende ruimteobjecten ook vond, één planetensoort had zich een speciaal plekje in z’n hart verworven: de planemo’s. Gewoonlijk cirkelden planeten in gezelschap van soortgenoten rond een kern, vaak een ster die warmte afgaf, zoals de aarde samen met onder andere Mars en Venus om de zon draaide, maar bij planemo’s lag dat anders. Zij draaiden niet om een zon en hadden geen familie. Nee, moederziel alleen reisden ze in bittere kou door het heelal, doelloos en totaal verlaten, want door bepaalde gebeurtenissen waren ze buiten het bereik van de aantrekkingskracht van hun familie gestoten en voor eeuwig verloren geraakt. Toen de kleine Horst dat las had hij z’n ogen vochtig voelen worden, hoewel hij niet helemaal begreep waarom. Maar dat is toch verschrikkelijk oneerlijk, dacht hij, hoe kon zoiets mogelijk zijn? Een oom die een paar keer per jaar koffie kwam drinken en behalve huisschilder ook een getuige van Jehova was, had hij meerdere malen horen vertellen dat God het universum had gemaakt en dat het volkomen perfect was, precies zoals het zou moeten zijn. Dat beeld was hem vanwege het geruststellende karakter wel bevallen, maar lag nu geheel in gruzelementen vanwege de planemo’s. Want hoe had God kunnen willen dat er planeten zouden zijn die gedoemd waren voor altijd zo eenzaam door de kille duisternis te suizen? Daar klopte toch iets niet, wat was dat voor een God die dat op z’n geweten wilde hebben? Als je er goed over nadacht moest God toch eigenlijk wel een enorme kl… Op dat moment wordt hij in z’n overpeinzingen gestoord door z’n moeder die hem roept voor het avondeten.

One response

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *