In boeken wordt soms iets gezegd

Maarten Biesheuvel schreef verhalen zonder alinea-indeling. Niet altijd, maar toch vaak wel. Hij had geluk dat ik geen redacteur was bij Meulenhoff, zijn uitgever, want ik zou zeker iets gedaan hebben aan zulke teksten. Aan de andere kant heeft het toch wel iets, een verhaal dat uit één of twee of drie alinea’s bestaat. Ikzelf zou bijvoorbeeld na deze zin al de eerste alinea van dit stukje willen beëindigen.

In één van de mooiste korte verhalen van de Nederlandse literatuur, De pornografie (dat staat in Biesheuvels boek De verpletterende werkelijkheid, Meulenhoff 1979, pag. 55-79), gebeurt het volgende. Een jonge Biesheuvel, 16 jaar oud, spijbelt samen met een vriendje en trekt een dagje naar Amsterdam. Daar zitten ze in een kroeg op de Zeedijk en krijgen aanspraak met een kerel. Dat blijkt een fotograaf te zijn, die zegt: ‘Willen jullie eens 1000 gulden verdienen?’ (Duizend gulden of piek is ongeveer gelijk aan vierhonderd euro.) Dat willen de twee jongens wel, en even later zitten ze elkaar te masturberen, in de studio van die fotograaf. Fotograaf maakt er foto’s van, jongens krijgen die 1000 piek in handen. Ze reizen weer terug naar huis, en nu doet de schrijver iets bijzonders. Dat briefje van 1000 piek moest klein gemaakt worden. Dat doet niet Biesheuvel, dat doet die andere, handiger jongen. Biesheuvel zegt niet hoe dat kleinmaken gedaan wordt. Hij vertrouwt op de handigheid van zijn vriendje, en hij zegt ook doodleuk dat hij er nooit achter is gekomen hoe dat vriendje die 1000 piek heeft kleingemaakt. Verder zal ik niets verklappen van het verhaal.

Ik ken geen andere schrijver die tegelijk zo geloofwaardig en zo naïef zoiets opgeschreven heeft. Vladimir Nabokov (schrijver van het beste korte verhaal uit de wereldliteratuur, Prikkebeen, het staat in Lente in Fialta), die ook door Biesheuvel zeer werd gewaardeerd, zou het niet in zijn hoofd gehaald hebben.

Ikzelf heb overigens op mijn veertiende eens een middag gespijbeld. Ook ik ging naar Amsterdam en kwam daar in een hoerenbuurt terecht. De hoeren waren toen nog Amsterdamse wijven. Eén van hen, een hoogblonde del, vroeg of ik met haar mee naar binnen wou gaan. Ik schudde beleefd van nee, geen tijd. Zegt ze: ‘Krèg ’t seer!’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *