Andermans dromen zijn nooit interessant

Vannacht droomde ik dat ik nog maar één dag te leven had. Ik was op reis met vrienden en ons vliegtuig was gecrasht. Zonder te weten hoe, hadden wij het overleefd. Maar eigenlijk hadden wij het niet overleefd, de dood was enkel een beetje te laat. Drie dagen om precies te zijn.

Tijdens mijn droom zaten wij dus in de derde en laatste dag. Dat wisten wij ook, maar ik was de enige die zich daar druk om maakte. Die vrienden van mij, die deden alsof het een dag als alle andere was. Ik probeerde hen duidelijk te maken dat het niet niets was, weten dat je nog maar één dag te leven hebt. Maar ze lieten zich niet van de wijs brengen. Maak je niet druk, zeiden ze, er valt toch niets aan te doen. Wij bezochten het huis van Gerard Spong in Istanbul. Dat huis was ooit van Napoleon geweest. Aan de overkant van het water hing een enorm piratenschip, zoals in De Efteling.

Even later stond ik in de file voor de tunnel van Lyon. Het was een zwoele zomeravond. Er was een opstootje, een vrouw kreeg weeën terwijl ze naast haar auto stond om te kijken hoe lang de file was. Ik wilde op kleine post-it-papiertjes wat brieven schrijven aan mijn dierbaren. Maar het lukte niet. Ik moest kort en bondig zijn opdat het op de post-it-papiertjes paste, maar ik had te veel te vertellen.

Ik hoopte maar dat het een droom was. Dat was het natuurlijk ook, maar dat wist ik in mijn droom niet. In paniek was ik niet, ik was vooral treurig. Treurig dat ik net nu in de file stond, en treurig dat ik zo zou gaan slapen om nooit meer wakker te worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *