Tom in de spiegel

Ik loerde naar Tom in de spiegel. De pijn die ik voelde zag ik niet terug in het lichaam van mijn Vlaamse vriend. Bon, zijn linkerschouder hing wat lager en ik zag een snee op de plek waar de metalen plaat was ingebracht door de chirurg van het AMC. Maar verder was het nog steeds een lijf waar de levenskracht vanaf spatte. Gespierd zonder pathetisch te worden. Atletisch noem je dat, geloof ik. De verpleegkundigen hadden zich verbaasd over zijn hartslag. 40 slagen per minuut in rust. Alleen sporters in topconditie schijnen die waarde te halen.

Vanuit de woonkamer kwam het geluid van een schroefmachine. Burak zette een houten skelet in elkaar. Daartegenaan moesten gipsplaten komen die de woonkamer in tweeën zou splitsen. Nog even en we waren niet meer met z’n tweeën.

Ik probeerde mijn arm op te tillen, maar de man in de spiegel verroerde zich niet. Tom keek me spottend aan. Zijn gezicht vertoonde geen sporen van het destructieve leven dat hij leidde. Geen schrammen, geen littekens, niets. Het was een puntgaaf gezicht. Hoe kon dat? Ik dacht altijd dat heroïne zich moeilijk laat verbergen. Junks hebben vaak bruine tanden, holle wangen, zwart omrande ogen, dat soort dingen. Bon, misschien was Tom geen junk, maar ik verwachtte toch wel iets van verval te zien. Het leek wel of Tom er alleen maar beter ging uitzien. Het deed me denken aan een boek dat ik ooit had gelezen. Over een kerel die overdag een gerespecteerd leven leidde, maar zich ’s nachts liet leiden door duistere driften. De man bezat een jeugdige, bijna onschuldige schoonheid, waarop zijn daden geen vat leken te hebben. Vreemd genoeg had zijn nachtelijke dubbelleven wel effect op een schilderij dat van hem was gemaakt. Na elk uitstapje werden de gelaatstrekken van zijn geschilderde evenbeeld grimmiger, totdat het portret een afschrikwekkende kop vertoonde die nauwelijks nog menselijk was te noemen. Ik zag die kop soms in mijn dromen en ook als ik wakker was liet hij me niet los. Ik was bang dat ik ook nog eens op mijn mismaakte dubbelganger zou stuiten. Elke keer als ik een deur of een kast opentrok hield ik mijn adem in.

Tot nu toe was de aanblik van het verval me bespaard gebleven. In de spiegel zag ik steeds hetzelfde gezicht. Alsof ik dezelfde vent was als de dag ervoor, misschien zelfs dezelfde als een jaar terug. Ik vertrouwde het niet. Het strookte niet met het beeld dat ik had van mezelf. Als je al kon spreken van een ‘ik’. Mijn leven had iets van het lichaam van een zelfmoordterrorist die zojuist zijn bomgordel tot ontploffing heeft gebracht. Het bestond uit losse fragmenten die nauwelijks te identificeren waren. Geen chirurg die er nog een kloppend verhaal van kon maken. Het was alsof iedereen die ik tegenkwam in mijn kop ging zitten. Of dat ikzelf als een soort demon van lichaam naar lichaam sprong. Het klinkt vergezocht, ik weet het, maar anders kon ik niet verklaren wat er met me gebeurde. Ik werd wakker op plaatsen waar ik nooit eerder was geweest. Op straat werd ik herkend door mensen die ik nog nooit had ontmoet. Soms sloot ik mezelf op om rust in mijn  harses te krijgen. Weken, soms maanden, kwam ik de deur dan niet uit. Maar zelfs na zo’n periode van afzondering bleef het gevoel aan me knagen dat het gezicht in de spiegel niet van mij was.

Tom ging op het geluid af. De gipswand stond inmiddels overeind. Burak was nu zijn bed aan het verslepen. Hij werd geholpen door zijn broer, een taxichauffeur die regelmatig over de vloer kwam om te klagen over het rijgedrag van anderen. De broer werd omringd door idioten die geen rijbewijs verdienden. Soms moest hij zijn taxi uitspringen om de idioten tot de orde te roepen. In zijn kofferbak lag een houten honkbalknuppel om zijn woorden kracht bij te zetten als dat nodig was. De broer van Burak vertelde daar graag over, met een blik in zijn ogen die het midden hield tussen trots en razernij. Alsof de boel uit de hand zou lopen als hij geen oogje in het zeil hield. Vaak nam hij zijn knuppel mee naar boven om te laten zien hoe hij zijn slachtoffer had geslagen. Soms was het bloed op de knuppel nog nat.

Vandaag had de broer van Burak zijn knuppel in zijn auto gelaten. Hij maakte een kalme indruk, waarschijnlijk had hij een dagje vrij. Hij glimlachte vriendelijk naar Tom terwijl hij het bed van Burak in een hoek schoof. De televisie was al aangesloten. Ze was afgestemd op de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer. Geert Wilders was bezig met een monoloog waarin hij PvdA-leider Job Cohen uitmaakte voor ‘bedrijfspoedel’. Iets wat een columnist later zou vergelijken met de manier waarop de nazi’s over Joden spraken. Joden waren volgens de nazi’s geen mensen maar honden. Sommige mensen hadden de neiging om alles terug te voeren op de Holocaust. Of anders wel op het Israëlisch-Arabische conflict in het algemeen. Tom begreep weinig van dat conflict en kon dat soort redenaties dan ook niet volgen. Misschien konden Burak en zijn broer dat wel. Zij maakten in zekere zin deel uit van de Arabische wereld. Maar de broers Tevetoglu hadden de scheldpartij van Wilders gemist. Ze liepen heen en weer tussen de oude en de nieuwe slaapkamer van Burak. Er werden schilderijtjes opgehangen, er kwamen kunstbloemen op het nachtkastje en de badjas van Burak kreeg een eigen haakje naast de deur. De nieuwe slaapkamer mocht dan een stuk kleiner zijn dan de oude, Burak wilde het er wel gezellig hebben.

Tom stapte het balkon op. Misschien kon de koude wind mijn pijn wel verzachten. Vroeger hield ik van pijn. Dat was eigenlijk helemaal niet zo lang geleden. Maar sinds kort begon het me steeds meer tegen te staan. Net als mijn hele leven, als ik erover nadacht. Bon, ik was nooit echt een goede kameraad geweest van het leven. Een groot deel van zijn tijd besteedde Tom aan het kapotmaken van het leven. Zijn eigen leven en dat van anderen. Eerst met drugs, later met geweld. Alsof ik op die manier rust kon creëren in mijn hoofd. Alsof ik zo de anderen kon elimineren totdat alleen ik nog over was. Wat zou dat lekker zijn. Geen gezeik meer aan mijn kop, alleen nog de rust van het ik. Het zuivere ik waarnaar ik al mijn hele leven verlangde. Stukje bij beetje begon ik echter te beseffen dat het een heilloze weg was. Mijn ik was een illusie. Hoe anderen het voor elkaar kregen wist ik niet, maar voor mij was het niet werkbaar.

Waarschijnlijk wist Tom dat al toen hij zich voor die auto wierp. Het was een wanhoopsdaad. Alsof hij de spoken uit mijn lijf kon verjagen door het kapot te maken. En alsof er dan iets zou overblijven wat de moeite waard was. Het was een zielige vertoning. Dat besef drong diep tot hem door toen hij tegen de voorruit klapte en mijn botten hoorde breken. Tom beleefde het in slow motion. Terwijl hij over het dak van de Mercedes vloog, keek hij naar de gezichten van voorbijgangers. Angst, verbazing, afschuw, medelijden: hij zag het allemaal. En even voelde hij de behoefte zijn verontschuldigingen aan te bieden. Zo van: ‘Sorry, ik bedoel het niet zo’. Maar na de val op het harde asfalt wilde hij nog maar één ding: weg. Terwijl om hem heen een kring van verontruste gezichten ontstond, smeekte hij de Heer om hem te laten verdwijnen. Maar de Heer liet hem niet verdwijnen. De Heer bracht hem naar het ziekenhuis. De Heer maakte röntgenfoto’s en duwde die onder Toms neus. Een gebroken sleutelbeen, een gebroken schouderblad en twee gebroken ribben. En volgens de Heer mocht Tom hem op zijn blote knieën bedanken dat het daarbij was gebleven. De Heer was een masochist.

‘Koffie, Tom?’, hoorde hij Burak achter zich roepen.
Ach ja, waarom niet. Tom slenterde naar de woonkamer en liet zich naast de broer van Burak op de bank zakken. Morgen zou hij zich voor een trein gooien. Als hij me niet gedeeltelijk kon vernietigen, dan moest het maar helemaal over zijn. No more Mr. Nice Guy.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *