Taartje

“De Spoken uit het Verleden”: zo noem ik de wezens die een schaduw op mijn bestaan hebben geworpen, en aan wie de herinnering mij steevast een knoop in de maag legt. Al wordt dat laatste minder met de jaren, het moet gezegd. Je groeit er overheen, zoals met al het nare des levens.

Een figuur die pontificaal prijkt in mijn top tien, en in die van flink wat generatiegenoten uit mijn kring, was Taartje. Ze kwam uit Hamburg en heette eigenlijk B., maar kreeg die misleidende bijnaam van K., een goede vriend van me met wie ze op een blauwe maandag trouwde. Dat ze een enorme pot was, en hij 30 jaar ouder dan zij, mocht niet baten. Het huwelijk werd voltrokken doch nimmer geconsumeerd. Ik ontmoette haar toen ik op mijn terugkomst van Tokyo op bezoek ging bij hem. Zij bleek inmiddels op zijn boot te wonen.

In eerste instantie vond ik haar machtig interessant, betoverend zelfs. Ze kon de bizarste gerechten klaarmaken, waarvan je je uren nadien afvroeg wat er in godensnaam in zat. Bovendien was ze kungfumaster en verplaatste zich op een menshoge step of met haar oude rode tractor genaamd “Positie”, wat ze als “Posjiesjie” uitsprak. Overdag laste ze een kooi van dunne ijzeren strips op die tractor; maanden achtereen heeft ze dat gedaan, zo niet jaren. Het was één van haar projecten waar maar geen einde leek te komen. Zoals het drijvend eiland van piepschuim dat ze in navolging van mij maakte – de hare was in de vorm van een reusachtige zwaan, die nooit tot voltooiïng kwam. Ze had charisma. Daar zijn er niet veel van, mensen met charisma in het echte leven, en als je ze tegenkomt zijn het steevast mannen. Vrouwen met charisma zijn zeldzaam, waarom is mij een raadsel – misschien heeft dat met testosteron te maken. Maar goed. Taartje had het wel, charisma. Een uitstraling van hier tot Tokyo. Kwam ze een zaal tjokvol gasten binnen, dan draaiden alle hoofden haar kant op. Ze had iets. Iets wilds en dierlijk – ze wás een dier. Ze zag eruit als een dier, ze leefde als een dier, ze rook als een dier en ze dacht als een dier. Haar echtgenoot ging er prat op dat ze een IQ van 95 had. Op de grens van debiliteit, vonden wij allemaal. Was ze mooi? Dat is moeilijk te zeggen. Ze had het ultragespierde lichaam van een marmeren Athena, de fijnbesneden kop van Adonis en het haar van Medusa.

De eerste knik in de kabel van een mogelijke vriendschap kwam toen ze mij lesbisch probeerde te maken. Zij vond mannen idioot en walgelijk en debiteerde lange tirades om mij te overtuigen. Wat jammerlijk mislukte, hoewel ik toch ontzettend mijn best heb gedaan. Ik was altijd een stoere meid geweest, dus wie wist… misschien was ik wel een pot? Je wist toch niet hoe je in elkaar stak, diep in je onbewuste?  Het experiment resulteerde in complete verwarring. Ik had mezelf overtuigd dat ik lesbisch was, maar ik bleef vallen op mannen, en, helaas, nog steeds niet op vrouwen. En daar gaat het juist meestal om, bij de seksuele voorkeur. Je kan moeilijk volhouden lesbo te zijn als je gruwt van poesjes likken en mannengeur je het hoofd op hol doet slaan.

Maar er waren andere, donkerdere, wolken aan de horizon. Want Taartje had een filosofie. Ze zou zonder geld leven. Hoe ze aan eten en andere basisbenodigdheden kwam laat zich raden: ze leefde op de onze.

Als in een achenebbisje kungfufilm had ze besloten mij als haar leerlinkje te trainen: elke ochtend togen wij naar het Oosterpark om te rennen, springen, trappen. Ze had zich daar lelijk op verkeken: hoewel ik toen veel en graag aan sport deed,  weerstand tegen dwingelandij won het van mijn sportieve inslag. Binnen de kortste keren besloot ik haar te mijden.

Dat ging helaas niet zo maar. Ze achtervolgde mij. Decennia later kwam het woord stalken in zwang. Als ik dat woord toen had gehad had het iets gescheeld: dan had ik een naam op het beestje kunnen plakken; tegenwoordig weet je ook wat je moet doen in zo’n geval, desnoods zoek je het op op internet. Zoals het was in dat stalkingloze tijdperk werd ik overgeleverd aan haar grillen. Om te zwijgen over K., die gedreigd had de vriendschap op te zeggen als ik me tegen haar misdroeg. Met zijn mandaat ging ze vrolijk verder met mij te verstikken door  haar overweldigende aanwezigheid. Ze dook op de raarste momenten op in het etaasje dat Jan B. op de Wittenburgergracht voor mij had gekraakt, boven een voormalige kruidenierszaak die sloop en nieuwbouw afwachtte. Het pand viel uit elkaar. Er was geen gas en geen electra: een jongen had een kachel uit een gemeentelijke blikken vuilnisbak voor mij gemaakt – horizontaal gelegd, gat in de achterste geboord waar een pijp doorheen kon. Hij zag er schattig uit, die kachel, op zijn voorpootjes, met zijn muil open om hout te verslinden, als een lief vuurdiertje.  Ik douchte koud en donker en sliep op de grond voor de kachel. Ik had geen cent te makken. De duizend gulden die ik uit Tokyo had meegenomen had ik in een paar van die jonge dagen verbrast toen ik nog in mijn geheel onder haar duim zat. Ze gingen op aan speciale kruiden voor haar ingewikkelde kookkunst, aan een cursus acrobatiek, en aan kungfu-films in de Movies op de Haarlemmerdijk. ‘s Avonds poseerde ik een uurtje bij de Rijksacademie voor 100 gulden per maand. Met dat geld kocht ik een kilo jonge kaas bij de Dirk van de Broek, een pak koffie (je had toen twee keuzes: of Kanis & Gunnink of de rode melange van Douwe Egberts), wc-papier, dat soort onmisbare dingen. Als Taartje ‘s avonds langskwam, dan hield ze urenlange monologen in een Nederduits doorspekt met Engelse woorden. Het was niet te volgen. Ik wou dan ook steevast slapen, maar dat mocht niet van haar, ik moest en zou haar aanhoren tot ze uitgepraat was. Om het halfuur stond ze op en liep naar achteren. Als ze, veel te laat, weg ging, bleek de kilo kaas voor de maand in zijn geheel opgepeuzeld.

Haar optreden bij Kømå, het underground restaurant dat ik met veel succes had geopend in een kraakpand in de Conradstraat, deed de deur dicht (wie een idee wil krijgen verwijs ik naar de film Soul Kitchen, al is het restaurant dat daarvan het decor vormt stukken netter en beschaafder dan het mijne destijds). Zodra ze lucht kreeg van die leuke plek was ze daar niet meer weg te slaan. Al spoedig bemoeide zij zich met de gang van zaken. In plaats van haar een gemene beet toe te brengen, bleef ik steeds vaker weg: de zin was mij ontnomen. Toen ze mij vroeg of zij officieel mee kon doen zei ik, EN DAAR HEB IK VOOR DE REST VAN MIJN LEVEN SPIJT VAN: ja. Haar eerste wapenfeit was met de kassa naar het Waterlooplein te sprinten en daar voor honderden euro een hele ouderwetse, chique uitleg aan te schaffen: bestek met hoornen handvatten, bij elkaar passende porselein, kristallen glazen. Daarna paste ze het menu aan: nix geen traditioneel doch vleesloos Frans (de kok was een Franse vegetarische homo), waarvan de meeste ingrediënten na sluiting van de markt gratis bij elkaar werden gesprokkeld, waardoor we met een vaste prijs van 5 gulden het drie-gangenmenu konden samenstellen. De raarste gerechten moesten gemaakt, met buitengewone producten die ze in delicatessenwinkels haalde. Binnen twee weken waren we failliet. Wat enkel de vaste gasten merkten: ik was al lang van het zinkend schip vertrokken, net als de kok, en de overige vrijwilligers in ons kielzog.

Haar visie was levensomvattend, ze had overal een antwoord op en duldde geen tegenspraak. Ze wond niettemin velen om haar vinger, ging uiterst geraffineerd te werk om dingen los te peuteren van haar “vrienden”: ze kon enorm slachtoffertje spelen en praatte iedereen een schuldcomplex aan. Ze ging ook voortdurend aan de haal met haar “geld is niet nodig”-motto, wat in de donkere jaren ’80 als een romantisch, dus aantrekkelijk, ideaal klonk. Dus gaf je. En nog eens, en nog eens, totdat iedereen er genoeg van kreeg en ze de collectieve plaaggeest van mijn generatie werd.

Ergens in die donkere jaren kreeg ik “Den Uitvreter” in handen (ja, in de oude spelling). Ik maakte kennis met Japi. De overeenkomsten met Taartje waren verbluffend. Koekebakker, dat was ik. Ik was dus niet slecht, ik hoefde niet op haar te lijken om goed te zijn, ik hoefde me niet verder aan haar despotisme te onderwerpen. Ik had de bodem van het zwembad bereikt, gaf een stevige duw met mijn voet, en kwam weer boven water. Taartje bande ik resoluut uit mijn leven, en zo kwam ze in het pantheon van de Spoken uit het Verleden terecht, waar ze godzijdank nooit meer uit kwam.

22 responses

  1. Nondeju, gisteren Kippfest met een naar ademhappend doen verhaal, en dan net dat je denkt dat het niet beter kan, hup, doet OZ er een schepje bovenop – net zo makkelijk. (In diezelfde periode (’85?) had ik ook een vriendin die een etage had gekraakt op de Wittenburgergracht, maar dit terzijde).

  2. Van Hamburg naar Tokyo, van het haar van Medusa naar lesbische seks, zonder geld leven, een kilo jonge kaas en bestek met hoornen handvatten. Kijk, dat zijn de betere achtbanen dus. En de jaren ’60, had ik gegokt, als er geen foto’s bijstonden om mij het tegendeel in te peperen…

  3. Elk artikel met een Nescio verwijzing is +1. Ik zit me plots te bedenken dat ik dat vanaf nu misschien ook maar eens moet gaan doen. Nescio verwijzingen. Want de Sarphatistraat *is* natuurlijk ook gewoon de mooiste straat van Europa.

  4. Ik had vroeger een stiefbroer. Die had ook charisma en een ondefinieerbaar I.Q. In mijn jeugd was hij mijn held, en toen ik begin twintig was, heb ik hem uit mijn woning gezet. Toen hij later terugkwam heb ik de politie laten komen. Hij heeft daarna nog een keer bij me ingebroken. Ik zou erover kunnen loggen, maar dat is dan toch weer te persoonlijk.

  5. Pingback: Kraken (1) | Nurks

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *