Mijn belevenissen in Groet

Beste Ben,

Dank voor het waarnemen van de honeurs. Ik ben weer veilig terug uit Groet. Van een bomaanslag heb ik niks vernomen. Groet leek mij een keurig dorp. De mensen waren vriendelijk. Wel een beetje dom. Op zo’n manier dat je aan je eigen intelligentie gaat twijfelen. Zo hadden wij op zondagochtend op het terras van restaurant Lekker Puh een kopje koffie genoten met een appeltaart. Het schijnt dat je best aardig kunt eten in Lekker Puh, maar je hoeft maar een blik op de menukaart te werpen en je weet waar je bent. In Lekker Puh. Ik bedoel: die naam alleen al! Ik ken mensen die hun café Bar & Boos hebben genoemd, maar Lekker Puh is toch net van een andere orde.

Op de menukaart staan eenvoudige doch smaakvolle gerechten. Maar het gaat mij om de summiere uitleg eronder. Zo las ik: Ierse Kogelbiefestuk, niets meer en niets minder, met gebakken champies. En: Dubbele Lendebiefstuk, 400 gram. Succes! En: Varkenshaasje, hééééél erg origineel, met champignon-roomsaus. Onder de Escargots lezen wij: (Da’s Frans voor slakken.) Met knoflook en peterselie. De zeewolf hebben ze Bor de Zeewolf genoemd. Onder de sliptong staat: Behoeft geen verdere introductie. En ja, volgens Van Dale met een ‘P’. En zo kunnen wij nog wel even doorgaan. Een restaurant dat niet zou misstaan in de straten van Dirkswoud, dunkt mij.

Maar goed. Daar zaten wij dus. Op het terras. Koffie te drinken en taart te eten. Om precies te zijn hadden wij één cappuccino, twee espresso, één appeltaartje met slagroom en één appelsap besteld. Dit alles kostte 10 euro 50 bij elkaar. Nu ben ik, zoals je weet, een man van de wereld. Wij waren naar behoren bediend, dus het leek mij niet meer dan normaal om een fooi te geven van een procentje of tien. Weet je wat, dacht ik, laat ik eens gul zijn, ik geef ze twaalf euro. Ik pakte vijftig euro uit mijn portemonnee, deed er twee euro bij en zei: ‘Maakt u er maar twaalf euro van.’ De jongedame nam mijn geld in ontvangst, pakte twee euro en nog een euro, zei: ‘Da’s vijftien euro’, pakte een briefje van vijf euro, ‘dat maakt twintig’, en deed er nog drie tientjes bij: ‘dertig, veertig, vijftig.’ Ik dacht heel even na.
‘Nee, ik gaf u net twee euro extra, omdat ik twaalf euro wilde afrekenen.’
‘Ja’, zei hij het meisje, ‘plus drie euro is vijftien, plus vijf maakt twintig, plus dertig maakt vijftig.’
Ik dacht weer even na. Maar het klopte toch echt. Dacht ik. Toch? Ik probeerde het nog een keer uit te leggen, en weer kreeg ik van het meisje te horen hoe je geld teruggeeft aan iemand die twaalf euro moet betalen en een briefje vijftig geeft. Het meisje was zo overtuigd van haar gelijk (en van mijn domheid), dat ik aan mijn eigen intelligentie begon te twijfelen. Noem het bescheidenheid. Ik dacht er even over om het zo maar te laten. Misschien had ze wel gelijk, ik wist het niet meer. Als je 50 euro geeft en twaalf euro moet betalen, terwijl je eigenlijk tien euro vijftig moet betalen en je twee euro erbij geeft, dan zou het best kunnen zijn dat drie euro vijftien maakt en vijf euro twintig en dertig euro vijftig. Toen bedacht ik me dat ik die twee euro extra had gegeven omdat ik geen kleingeld wilde terugkrijgen. Dus ik zei tegen het meisje dat ik twaalf euro wilde betalen en 52 euro gaf, opdat ik veertig euro zou terugkrijgen. Het meisje dacht even na en gaf mij toen gelijk. Misschien ook wel om er vanaf te zijn, dat weet ik niet.

Een dergelijke onnozelheid vermoedde ik bij meer Groetenaren. De bakkersmeisjes waren ook niet van de snuggersten. En de supermarktmeisjes ook niet. Ze spraken wel allemaal uitstekend Duits trouwens. Dat wel. Maar goed. Ik verbleef in een bungalowpark waarvan ik de naam niet zal noemen. De reden van mijn geheimzinnigheid zal ik ook niet in het openbaar uit de doeken doen. Het was, dat kan ik je wel vertellen, een zeer aangenaam parkje met leuke huisjes en aardige mensen. Maar op een dag ging ik met mijn zoon (die volgende maand twee wordt) naar het speeltuintje. Reeds van verre hoorde ik al dat het mis was. Er zaten Limburgse kinderen in de zandbak. ‘Die ammer is van mich‘, hoorde ik een miezerig, verontwaardigd piepstemmetje roepen. Ik liep de struik om en zag het Limburgse jongetje zitten, het gemeenschappelijke emmertje, dat aan een ketting vast zat zodat je ermee kon takelen, beschermend naar zich toegetrokken. Tegenover hem zat een meisje van vier (plusminus twee jaar jonger dan het Limburgse jongetje) stoïcijns verder te spelen. Hij sprak verder, in dat verontwaardigde Limburgs van ‘m: ‘Ik weet lekker meer dan dich. Ik weet alles. Ik heb een buurjongetje. Dat is een baby. En die heet Sjoerd. En dat weer jij niet.’ Het meisje bleef doorspelen alsof er niet tegen haar werd gepraat. De hele zandbak bleek van het Limburgse jongetje te zijn. Zijn broertje beaamde dat. Mijn zoon deed even later wat zand in het gemeenschappelijke takelemmertje en kreeg toegesnauwd dat er alleen ‘zacht zand’ in het ammertje mocht. Mijn zoon keek het jongetje verbaasd aan en ging iets anders doen.

Maar een bom? Nee, niks van gemerkt.

Uw,

Max

2 responses

  1. Daar heb je gelijk in: de mensen zijn hier wat simpel van geest. Want je moet zo’n meisje ook niet proberen uit te leggen dat je zoveel procent fooi geeft. Of probeert te geven.
    Dit alles is niet veel beter in Egmond aan Zee, maar veel beter (schérper!) in het goede, oude Dirkswoud, wil ik wedden. Al in de Tijd van de Vikingen stond Dirkswoud bekend als ‘dat berekenende stadje’, waar je zomaar getild kon worden, als je even naar links keek.
    Je hebt me overigens wel weer een nieuw Dirkswoudje geleverd, Max!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *