Het vogeltje

Het gazon glansde of het zomer was. Maar het was winter.

Vogels bijvoeren in de winter is onverstandig. Daar worden ze lui van. Of dik. Of zoiets. Ik voerde dus vogels bij in de winter. Opstandig. Maar ook alleen.

Vanaf de kamerbank, die ik met veel pijn en moeite voor het raam geschoven had, observeerde ik mijn achtertuin. De telefoon stond uit en de verrekijker lag binnen handbereik. Om niet te veel op te vallen had ik mij geheel ontkleed.

De opkomst liet te wensen over. Zou ik nog wat vetbollen ophangen? Moest ik misschien meer geduld hebben? De eeuwige vragen des levens begonnen zich bijtend aan mij op te dringen. Wanhopig greep ik naar mijn kopje thee.

En toen gebeurde het. Ik raapte iets op van de vloer, wilde mij weer oprichten, toen ik – als in een verhaal – een harde tik hoorde. Verschrikt keek ik op. Er was een vogel tegen het raam gevlogen! Nu ging het beginnen.

Het vogeltje zat ineengedoken op de terrastegels. Het was gewond, dat was duidelijk. Op blote voeten sloop ik dichterbij. Ja, geen twijfel mogelijk, het beestje was er zeer ernstig aan toe.

Voorzichtig pakte ik het vogeltje op en met twee handen hield ik het vast. Mijn palmen sloten zich om het warme, trillende lijfje. Ik drukte het beestje aan mijn borst en bekeek mijzelf in het raam. Een naakte jongen met een stervend vogeltje in zijn handen. Zou ik de buurvrouw weer roepen?

Terwijl ik mij afvroeg of de buurvrouw vandaag wel thuis was, begon het vogeltje opeens luid te piepen en heftig te spartelen. Van schrik liet ik het uit mijn handen vallen. Het vogeltje aarzelde geen moment en hipte vlug de tuin in.

Wat een teleurstelling! Het was alleen maar een beetje versuft geweest. Nu zou ik het niet meer kunnen verzorgen. Of misschien toch.

Al snel had ik het vogeltje weer te pakken. Het piepte nu nog luider, maar ik hield het met één hand stevig vast. Er kon niets meer misgaan. Ik rilde van geluk. En ook een beetje van de kou.

Even twijfelde ik. Kon ik eigenlijk wel voor zo’n klein vogeltje zorgen? Het zou niet gemakkelijk zijn. Maar toch, dat snaveltje, die veertjes, misschien viel er wel een pootje te spalken. Ja, het was het beste, ook voor het beestje zelf. En was het niet bijna natuurlijk? Ja, ik moest het doen. Kordaat deed ik een stap naar achteren en gooide het vogeltje toen met een krachtige, maar toch beheerste worp tegen het raam.

Het raam trilde nog na van de klap. Misschien had ik toch iets te hard gegooid. Het vogeltje bleef piepen, maar zachter nu. Het lag op zijn zij en leek niet meer overeind te kunnen komen. Ik raapte het op.

Het leek er slecht aan toe te zijn. Ik plukte aan één van de vleugeltjes, maar er volgde geen reactie. Dit was niet de bedoeling. Het vogeltje was veel te ernstig gewond! Ik rilde opnieuw. Wat moest ik nu doen? Verzorgen leek geen optie meer. Alles was verpest.

Het piepen was nu opgehouden, maar het bruine snaveltje bleef openstaan. Er liep bloed uit. Toch keek het vogeltje nog alert uit zijn ogen. Het leefde, maar het leed ondraaglijk, dat wist ik. Ik moest het helpen.

Eén krachtige tik zou voldoende zijn. Eén harde tik op het hoofdje en het was afgelopen. Maar waarmee? Ik keek om mij heen, maar zag nergens een voorwerp liggen dat geschikt was. Het hoofdje dan maar kapotslaan tegen de muur? Nee, dat was cru. Het moest wel zonder pijn gebeuren. Maar natuurlijk! Ik wist het!

Ik had het vogeltje op het gazon gelegd en sloeg nu zo hard als ik kon met de vetbol op het hoofdje, terwijl ik met mijn andere hand het lijfje tegen de grond drukte. Maar ook na een paar keer slaan bleef het bewegen. Meer bloed, dat was het enige effect. Het beestje begon zelfs weer te piepen.

De vijver. Dat zou zeker werken. Op mijn knieën stak ik het halfdode vogeltje zo diep mogelijk in het water. Direct maakte een vlijmende pijn zich meester van mijn arm. Het water was ijskoud. Maar wat gebeuren moest, moest gebeuren. Ik bukte mij nog verder voorover en stak mijn arm nu tot aan mijn schouder in het water.

Een koude windvlaag streek langs mijn benen. Ik voelde dat ik een erectie kreeg. Zou het vogeltje al dood zijn? Ik trok mijn arm uit het water en stond op. Het leefde nog steeds! Hoe was dit mogelijk?

Nu begon ik er genoeg van te krijgen. Ik liep terug naar het raam en bekeek mijzelf opnieuw. Geen fraai gezicht. De buurvrouw mocht wel wegblijven. Het doorweekte vogeltje piepte niet langer, maar maakte een zacht gorgelend geluid. Bellen bloed ontsnapten zijn snaveltje.

Geërgerd legde ik het vogeltje weer terug op de plek waar ik het de eerste keer gevonden had. Blijkbaar wilde het verzorgd noch geholpen worden. Uitstekend. Ik zat er niet mee. Met trillende lip liep ik terug naar binnen. De thee zou onderhand ook wel koud geworden zijn.

9 responses

  1. Het is inderdaad een juweel van een vertelling. Mooie opbouw. Vooral hoe elementen als die naaktheid en de buurvrouw er in sluipen, stilletjes, volkomen vanzelfsprekend.

  2. haha! de schrijver is echt een dierenliefhebber! misschien had ie het vogeltje gewoon nog ff in de frituurpan moeten gooien.. het was koud buiten immers?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *