Gedempt (24)

Vroeger, elders. Zo zou ik deze Stijloefening – ter ere van Max Molovich – willen noemen.

Ik heb geen zonen of dochters, dus daar kan ik ook niet mee de bus uit komen. Ik moet – met zere benen, want ik ben al betrekkelijk oud en betrekkelijk gammel – alleen lopen, vanaf huis loop ik dus. De Voorstraat steek ik over, ik ga naar de Duinstraat en dan moet ik traplopen (dat is erg), het Staalduin op. Op het Staalduin stond vroeger de vuurtoren van Egmond aan Zee, dat is nu 200 meter vanaf de kustlijn, en dat was het vroeger ook. Ik heb dat altijd vreemd gevonden.
Als ik boven gekomen ben, kan ik godzijdank een paar minuten uitrusten, want daar heeft de gemeente voor een bankje gezorgd. Mijn tas met vier boeken zet ik naast me op het bankje. Ik rol een halfzwaar shagje van het merk Jakobs, dat nu Lucky Strike als merknaam heeft, maar nog steeds goed smaakt.
Terwijl ik wat rondkijk naar al het gefluister in de tuinen van insecten en vogels, komt er een dame met zwart golvend haar en met een ouderwetse zonnebril in heur haar gestoken (‘functieloos bebrild’, denk ik meteen; je kon gelukkig wel haar ogen zien), die mij in een Franco-Engels accent vraagt: ‘Vère iz ze post office, pleaze?’
Ik kan haar een perfect routeplan voorleggen (‘You go down here, and then you go to the left. The second street to the left, that is. You follow that street, and then you come on the Pomp Plain. There you see the shop of Dekker & Dekker and in that shop, there is the post office. It is easy!’), maar al voor ik uitgesproken ben, verlaat ze me voor een weinig opzienbarende figuur in een Renault, over wie ik Max Molovich helaas niets heb horen vertellen, en over wie ik ook niets meer weet te vertellen dan dat het een tamelijk dikke figuur was met donker haar en een onbetrouwbaar uiterlijk.
Wat je niet meemaakt, nietwaar. Mijn benen doen niet zo’n pijn meer en ik besluit door te lopen. De bibliotheek is nu niet ver meer: twee straatjes. Die vijfmaal ‘niet’ in de afgelopen vier zinnen doen hier geen kwaad volgens mij. In de bibliotheek merk ik dat ik mijn tas met die vier om te ruilen boeken vergeten ben. Die staat dus nog op dat bankje. Ik zeg dat tegen een bibliothecaris, die meteen aanbiedt om die tas te gaan halen: Egmonders zijn een zeer vriendelijk volk. We leven net boven de Randstad, en we doen niet zo moeilijk. Terwijl die bibliothecaris die tas ophaalt, kijk ik bij de Q. Ik wil ‘Stijloefeningen’ van Raymond Queneau hebben. Dat boek is niet aanwezig. Als die bibliothecaris terug is met mijn boeken, en me geruststellend toezwaait, zeg ik het tegen hem.
‘Dan hebben ze het wel in een andere bibliotheek,’ zegt hij, ‘dus dan vraag ik het op en dan is het hier over twee dagen. Is dat goed?’ Uiteraard is dat goed, ik pak mijn tas en loop nog even langs de N van Nabokov en de P van Perec, van wie ik een paar boeken pak.
Daarna begint de terugreis naar mijn huis, die vanzelfsprekend vlotter verloopt dan de heenreis, want nu kan ik afdalen. Ik loop nog even bij Babyhuis Peters binnen, waar ze schoentjes hebben ‘voor een ongeveer anderhalf jaar oude baby’, want dat had ik mijn lieve zus beloofd.

2 responses

  1. Een jaar of tien geleden moest je via de route die ik beschrijf de bibliotheek bereiken. Dat is nu niet meer zo: nu neem je de bus naar Egmond aan den Hoef, waar een centrále bibliotheek is en waar ik nog nooit geweest ben.
    Tegenwoordig lees ik alleen nog maar e-boeken, die ik gratis ophaal, want het zijn 19de-eeuwse boeken. Ik lees nu bijvoorbeeld ‘Fathers and sons’, dat ik leg naast ‘Vaders en zonen’, en dan blijkt dat de Nederlandse vertaling van KvhR veel en veel beter en mooier is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *