De verwarde man in de sloot

Kikker werd die ochtend wakker met een vreemd gevoel in zijn buik. Hij stond op, deed zijn rood-wit gestreepte zwembroek aan en ging voor de spiegel staan. Wat is er met me aan de hand, dacht hij. Ik ben groen, dat is mijn lievelingskleur. Ik heb mijn rood-wit gestreepte zwembroek aan, dat is mijn lievelingszwembroek. Ik ben een kikker. Ik hou van springen. En toch voel ik mij vreemd. Kikker stond nog een tijdje voor de spiegel. Totdat hij besloot dat hij daar lang genoeg had gestaan. Toen ging hij naar buiten.

Buiten kwam hij eend tegen. ‘Eend’, zei hij tegen Eend, ‘ik voel mij vreemd vandaag. Terwijl er helemaal niks aan de hand is. Weet jij wat er met me aan de hand is?’ Eend kwaakte. Op zo’n manier dat kikker er geen kaas van kon maken. En dat noemde zich een goede vriendin. Barst dan maar, dacht Kikker. En hij liep verder.

Bij de weide aangekomen zag hij Varken staan. Varken stond met zijn snuit met veel kabaal in een grote bak met voedsel te wroeten. Niks voor Varken, dacht Kikker, maar hij zei er niks van. ‘Dag Varken’, zei Kikker. En hij legde zijn probleem uit. Varken keek hem kortstondig stomverbaasd aan, knorde nurks en ging verder met vreten. ‘Nou ja’, zei Kikker verontwaardigd. En liep door. Zijn gemoed werd er niet beter op. Gelukkig zag hij Haas zitten, daar bij de waterkant. Haas was wijs, die wist altijd wel iets te zeggen zodat Kikker er anders naar ging kijken. Haas zat op een wortel te knabbelen. ‘Dag Haas’, zei Kikker. Haas keek Kikker heel even met glazige, ja bijna zielloze ogen aan en ging er razendsnel vandoor.

Kikker begreep het niet. Wat was er aan de hand? Wat was er met zijn vrienden aan de hand? Wat was er met hem aan de hand? Hij sprong in de sloot. Zuchtte. En stond daar een tijdje. Na te denken. Totdat er ineens een mens aan de kant stond. ‘Gaat het’, vroeg de mens. Tot zijn stomme verbazing begreep Kikker wat er tegen hem gezegd werd. Hij was te perplex om te kunnen antwoorden. De mens vroeg of Kikker een handje nodig had. Maar Kikker bleef liever staan waar hij stond. De mens haalde een telefoon tevoorschijn en begon te bellen. Hoe het zover kwam wist Kikker niet, maar niet veel later stonden er ineens heel veel mensen om de sloot heen. En al die mensen wilden dat Kikker uit de sloot kwam.

Maar Kikker wilde niet uit die sloot komen. Hoe graag de mensen dat ook wilden. Ik ben een Kikker. Ik hoor in de sloot. Maar de mensen die aan de kant stonden, weigerden dit simpele feit te accepteren.

3 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *