Angst voor Het Licht

Zo rond mijn achtste levensjaar, probeerde ik wel eens een deal te sluiten met God. Ik was nog niet zo lang daarvoor tot de conclusie gekomen dat God niet bestond, maar was daar nog niet helemaal zeker van. In ruil voor een door mij bepaald teken zou ik mijn atheïsme inruilen voor onvoorwaardelijk geloof. Wat ik van God vroeg grensde altijd aan het onmogelijke, maar, zo redeneerde ik, dat is wel het minste wat je mag vragen van iemand voor wie niets onmogelijk is. “Laat het sneeuwen”, zei ik bijvoorbeeld tegen God terwijl het buiten bloedheet was, “laat het sneeuwen en ik geloof in U.” Het mag geen verbazing wekken dat ik gewoon kon blijven vasthouden aan een geloof in een opperwezenloos universum. En dat doe ik nog steeds. De reden van mijn bestaan is volstrekt arbitrair, het leven heeft geen zin, na mijn dood leef ik hooguit nog een tijdje voort in herinneringen en persoonlijke eeuwigheid treft men enkel aan in het moment dat, eenmaal gebeurd, nooit meer niet kan gebeuren. Ik vind dat geruststellende gedachten.

Toen al was ik blij met mijn atheïsme. Dat ik God immer het schier onmogelijke vroeg, toont aan dat ik er geen zin in had, in een leven met God. Nadat ik God om sneeuw in juli had gevraagd, dacht ik er meestal achteraan: “En mocht het nu onverhoeds toch gaan sneeuwen, zal ik moeten nagaan of het niet voorspeld was, die sneeuwbui.” Voordat God Zijn bestaan kon bewijzen, trok ik het dus reeds in twijfel. Ik begrijp best dat God daar geen zin in had. Net zoals ik er geen zin in had om in Hem te geloven. Bovendien was het natuurlijk zeer hooghartig van mij, om te verwachten dat God het wel eventjes zou laten sneeuwen in juli, enkel en alleen om mij voor Zich te winnen. Tegenwoordig weet ik dat God zo niet te werk gaat, en dat de kunst van het geloven juist draait om het wonderlijke in het alledaagse te vinden. De essentie van geloven is dat er geen expliciet bewijs van het bestaan van God is. Als dat er wel was, zou het geen geloven heten, maar weten. Geloven is derhalve niet voor mij weggelegd.

Ik ben echter nog steeds wel eens bang het onmiskenbare Licht te zullen zien. Dat er niets anders opzit dan God toe te laten in mijn leven. Ik kan niet overzien welke consequenties dat zal hebben voor mijn persoonlijke kijk op alles, een kijk waar ik nogal aan gehecht ben. Nu weet ik wel dat mensen die het Licht hebben gezien heel erg gelukkig zijn dat ze het hebben gezien, maar die mensen waren meestal ongelukkig in de tijd dat ze het niet zagen. Het is altijd in een diepe crisis dat God Zich openbaart. Ik zit niet in een diepe crisis, heb nooit in een diepe crisis gezeten en hoop er nooit in te belanden. Ik ben volmaakt gelukkig zonder het Licht en hoop er altijd van verstoten blijven.

5 responses

  1. Dat ‘verstoten’ (ipv verstoken)in de slotregel, is dat bewust, of is het een toepasselijke (OMG! de hand van God heeft Molovich beet, en nu onweert het ook al!!) verschrijving?

  2. heel herkenbaar.. overigens ben ik van mening dat mensen die nog nooit in een diepe crisis hebben gezeten niet serieus genomen kunnen worden.. ==> papkindjes.. haha!

    over kindjes gesproken @ rigo: zoals beloofd meld ik je hier dat sikbock papa is geworden.. t is een meissie geworden en ze is LIEF.. papa heeft een beetje gejankt tijdens de geboorte..

    kortom: +1 voor de HEERE

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *