Stijloefeningen (93) – Nico Dijkshoorn die Mart Smeets imiteert

Noot vooraf: de heer Nico Dijkshoorn hecht eraan te melden dat hij onderstaande niet heeft geschreven.

Ik stap uit een, ja wat is het eigenlijk?, een bus. Lijn 21? Zou zomaar kunnen. Twaalf uur. In de middag. Mijn zoon, luistert u mee?, mijn grandioze zoon, diezelfde zoon die zojuist nog die knotsgekke bus bij elkaar zat te janken alsof, alsof zijn leven ervan af hing, díe zoon ja, precies die zoon… die slaapt nu als een roos in zijn, hoe zou ik het noemen – in zijn kinderwagen? Lijkt er wel op. Maar wat een weer jongens! Hahaa! Wat een weer! Wat! Een! Onwaarschijnlijk! Weer, lieve mensen! De wind, die knotsgekke wind, diezelfde wind die al sinds het begin der dagen over deze aarde ronddwaalt, die dwaalt nu hier. Hier en nu. Over het Stationsplein. Dat knotsgekke, heerlijke plein. En dan die regen! En de mensen? Die grandioze gekken? Die – mag ik dat zeggen?, ja dat mag ik zeggen – die mensen die zich geen ene mallemoer van hun medemens aan trekken. Na ons de zondvloed! Die mensen lopen nu op het stationsplein. Zo is het toch? Zo. Is. Het. Maar wat doen wij hier, op dit knotsgekke plein? Waarom begeven wij ons in dit troosteloze, dit – mag ik dat zeggen? ja, dat mag ik zeggen – dit kloteweer, waarom begeven wij ons hier? En nu? Omdat wij, waarde kijkers, omdat wij op weg zijn naar de bibliotheek. Ja, u hoort het goed, naar de Openbare Bibliotheek nog wel. Om Stijloefeningen te lezen, dat knotsgekke Stijloefeningen van die – mag ik dat zeggen? ja, dat mag ik zeggen – grandioze gek Raymond Queneau. C’est le tongue qui fait le musique, dat kent u. Maar kijk – wat is dit? Lopen wij hier ineens over en plank? Met aan weerszijde, hoe zal ik het noemen?, ordinaire bouwputten. Wat hoor ik daar? Hoor ik daar dat knotsgekke, stoempende geluid van heiende heipalen en trillende drilboren. Je moeder op een houtvlot, zul je bedoelen!

Vlak voor ik die heerlijke, knotsgekke bibliotheek wil ingaan, word ik aan mijn peperdure Noorse trui getrokken door een, hoe zou ik het zeggen, een vrouw, meneer! Heus! Een vrouw, een grandioze, knotsgekke vrouw, die zich door niets en niemand de wet laat voorschrijven! Een heerlijke vrouw! Een vrouw uit duizenden. Een vrouw die – mag ik dat zeggen? ja, dat mag ik zeggen – die ik zo, hier en nu op de tafel zou willen leggen om eens goed, ja, hoe zeg ik dat netjes, een veeg te geven die zij zich nog zou heugen totdat – mag ik dat zeggen? ja, dat mag ik zeggen – totdat er gras op haar buik groeit. Ze vraagt iets – wat? ik weet het niet, ik was te druk bezig met het luisteren naar mijn eigen gedachten. De vrouw heeft zwart haar. Prachtig!  Zwart! Wit! Zo lang het maar geen grijs is. Grijs is saai. Grijs is de middelmaat. Grijs is waardeloos. Grijs is niks. Grijs is kleurloos. En terwijl ik zo in mijn – mag ik dat zeggen? ja, dat mag ik zeggen – mijn boeiende gedachten verzonken ben, rent de vrouw weg naar een, wat is het?, een muisgrijze Renault die achteruit rijdend van ons weg rijdt. Vreemd? Ja, best wel. Dat mag je gerust weten.

En dan? Ja, dan! Dan sta je ineens op de tweede verdieping. Te zoeken. Bij de Q. Naar Stijloefeningen. Naar dat knotsgekke boek van die knotsgekke schrijver. En dan staat het er niet. Wat doe je dan? Dan kijk je voor de zekerheid nog even op de computer. Op die ontzettend gekke, grandioze computer. Maar wat lees je daar? Wat staat er op dat scherm te lezen. Wat zeggen die knotsgekke lettertjes op dat lichtgevende beeld? Dat het boek wel aanwezig is. Vreemd? Ja. Vreemd. Gek? Ook. Ja. Gek. Onbegrijpelijk? Nee. Dat niet. Dus wat doe je dan? Ga je dan nog een keer kijken? Nee. Er is niks met je ogen. Ja, ze hebben een brilletje nodig, maar verder functioneren ze nog uitstekend. En dan ga je naar zo’n medewerker, en die vertel je wat het probleem is, wat het knotsgekke, alle wetten van het universum tartende probleem is. Wat je hebt, gooi je eruit! Smijt je eruit! Maar die medewerker – mag ik dat zeggen? ja, dat mag ik zeggen – is een uilebal van het zuiverste water. Want wat doet hij? Wat doet die knotsgekke uilebal? Die zoekt waar jij ook net hebt gezocht. En wat gebeurt er dan? Wie het weet mag het zeggen. Mag ik het zeggen? Ja, ik mag het zeggen, want de medewerker, die rare snijboon van een medewerker, die vindt uiteraard niks. Maar hij heeft wel een tip. Een gouden tip. Een tip om je vingers bij af te likken. Een tip die al het voorgaande goed maakt. Zal ik het zeggen? Ja, ik zal het zeggen. Magazijn. Zegt u dat iets? Waarschijnlijk niets. Maar in het magazijn, zo vertelt de medewerker, in dat grandioze, onmetelijke magazijn, daar bevindt zich ongetwijfeld nog een exemplaar van dat buitengewone, onnavolgbare Stijloefeningen van die knotsgekke Raymopnd Queneau. Van dat boek dat we nog nooit in handen hebben gehad, maar waar we met z’n allen toch een beetje van zijn gaan houden. Van dat boek heeft het Magazijn dus hoogstwaarschijnlijk nog een exemplaar. Hoef je alleen nog maar een mailtje te sturen. Naar het magazijn. Naar dat knots- en knotsgekke magazijn. Dus dat doe je. Je stuurt de mailtje. Je wacht. Zweet. Wacht. Kijkt op je horloge. Wacht. Trommelt met de vingers. Wacht. En wacht. En dan… mail… Mail open. Lezen. Verbijstering. Je valt van je stoel. Met dat enorme lijf van je, val je van je stoel. Met dat enorme lijf val je van die – mag ik dat zeggen? ja, dat mag ik zeggen – van die godverdomde tyfusstoel. Want wat lees je? Wat lees je in die on-waar-schijn-lij-ke mail? Dat Stijloefeningen ligt waar het hoort te liggen.

Op het Bos en Lommerplein, op dat ontzettend leuke, levendige, knotsgekke Bos en Lommerplein, koop ik babyschoentjes in een babywinkel. Mag ik dat zeggen? Ja, dat mag ik zeggen. Babyschoentjes! Hier heb ik een glas. Daar zit rood vocht in. Dat kun je drinken. Op Dalida. Chin.

26 responses

  1. Dank. Het was niet de bedoeling te suggereren dat jij dit hebt geschreven. Ik imiteer Nico Dijkshoorn die Mart Smeets imiteert. Het is dus hooguit een slechte imitatie van Nico Dijkshoorn die Mart Smeets imiteert, niet een slechte imitatie van Mart Smeets.

  2. Misschien had ik het ‘Nico Dijkshoorn die slecht heeft geslapen, ongeïnspireerd is, last heeft van een kloppende kater en net te horen heeft gekregen dat zijn lievelingsoom een zeldzame, dodelijke ziekte in de tropen heeft opgelopen, maar die toch Mart Smeets probeert te imiteren’ moeten noemen.

  3. Ik vind het erg leuk geschreven. Maar dat komt wellicht tevens doordat ik het graag lees, denk ik dan. Hoe dan ook: dank voor het vermaak, al dan niet stichtelijk. Zat er overigens ook niet iets van Bomans in, qua lidwoord hier en daar? Of is dat teveel eer voor Smeets?
    Is er al iemand die Molovich’ imitatie van Dijkshoorns Smeetsding heeft gedaan, en dat Molovich dan weer heel beledigd kan reageren op de aandacht?

  4. Duit in zak: Leuk gedaan. Ik vind die Dijkshoorn ook leuk, maar heb al een paar keer gemerkt dat hij alleen zichzelf leuk vind, en anderen niet. Die doen het dan slecht of krijgen een ‘(tyfus)block’ aan de broek. Je bent dus nog goed weggekomen.

  5. Ik vond het ook lachen. Ik zeg dat nooit meer, omdat ik dan in herhaling val. Ik vind altijd alles geniaal wat Molovich doet. Sowieso al de imitatie doen van iemand die een ander imiteert, dat vond ik al geniaal, maar die imitaties vond ik ook fantastisch kloppend. Doe hem dat eens na. Onmogelijk.

  6. Nou nou, je kan het Nicodijkshoorn niet kwalijk nemen, die parodieert zijn stijl al 20 jaar dus heeft hij daar een heel erge fijnzinnigheid voor ontwikkeld. Dan valt u zo door de mand, meneer Molovich! Ik vond het nochtans een goede poging.

  7. Het is ook wel mooi, vind ik. Die noot vooraf doet het ‘m. Mart Smeets is ook nooit blij met Nico Dijkshoorns imitaties van ‘m. Dus nu Dijkshoorn niet zo te spreken is over dit stuk, is het cirkeltje rond.

  8. Ja, maar ik dacht, ik moet het opschrijven zoals hij het zou opschrijven, niet zoals hij het zou uitsprekon. Maar eigenlijk zou ik dan ook in die vrij dichtvormopmaak moeten schrijvon.

  9. Wow, Dijkshoorn reageerde al na 1 uur! Dat kan volgens mij niets anders betekenen dan dat ie het weerzinwekkend herkenbaar vond en nu dreigde tot het inzicht te komen dat ook hij een cliché geworden is. Dat stak ‘m blijkbaar zo zeer dat ie zich niet kon inhouden en meteen moest reageren. Ik zeg: hulde aan Molovich.

  10. “Geraakt zijn omdat iemand een slechte imitatie doet van hoe jij iemand slecht imiteert. Ik heb mensen met twee courgettes onder hun arm hetzelfde schijtlollige trucje uit zien halen en zien falen. Een ander de mist in zien gaan en juist daarin jezelf herkennen, dodelijk. Het is de definitieve bestempeling van Wawawawwawawa…”

    Dit is dan weer een opzettelijke slechte imitatie van iemand die nadoet hoe Dijkshoorn zou reageren op zijn eigen reactie als die niet van hemzelf was gekomen.

  11. Met alle respect, maar ‘t middenstuk, zeg maar vanaf ‘Een heerlijke vrouw!’, is eerder Simek dan Smeets..
    verder wel geslaagd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *