Stijloefeningen (83) – De Cock en het raadsel van het verdwenen boek


Stationsplein, 12.00 uur in de middag
De Cock met C-O-C-K. stapte de bus uit. In de kruiwagen die De Cock voortduwde lag zijn trouwe kompaan Vledder zijn roes uit te slapen. Sinds de dood van hun schepper, nu alweer zoveel maanden geleden, was Vledder óf bezig laveloos te worden óf bezig zijn roes uit te slapen. Het miezerde en de wind joeg als een bezetene over het stationsplein. De mensen volgden hun eigen weg, kop diep in de kraag, alsof ze op de vlucht waren voor iets. ‘Elk mens is een verdachte’, dacht De Cock. En stapte stevig door. Hij was op weg naar de Openbare Bibliotheek Amsterdam in de hoop Stijloefeningen van Raymond Queneau te kunnen lenen, een Franse schrijver die op 25 oktober 1976 op mysterieuze wijze het leven liet. In Stijloefeningen vertelt Queneau 99 keer hetzelfde verhaal. Sinds de dood van zijn schepper verkeerde De Cock in een soortement van identiteitscrisis. De Cock was er achter gekomen dat hij in feite niets meer was geweest dan het zwangerschapsproduct van iemands levenservaring en verbeeldingskracht. Zijn schepper had ervoor gekozen om hem, De Cock met C-O-C-K, op een bepaalde manier neer te zetten. Maar was hij dat ook? Was hij niet meer dan de eigenwijze, nurkse man die zijn schepper van hem had gemaakt? Door 99 keer hetzelfde verhaal te lezen, hoopte De Cock iets meer te begrijpen van de keuzes van zijn schepper. Om zo wellicht nader tot zichzelf te komen. Terwijl De Cock zo in gedachten was over zijn queeste, merkte hij niet dat de ondergrond waarop hij liep was veranderd in een plank. En dat aan weerszijde diepe bouwputten gaapten waarin drilboren de koude grond los
drilden en heipalen galmend de basis voor toekomstige gebouwen ramden. Vledder bracht een jammerend gekreun voort.

Voor de bibliotheek, 12.24 uur

Vlak voordat De Cock de Openbare Bibliotheek wilde betreden, werd hij aan de mouw van zijn grauwe regenjas getrokken. Een vrouwpersoon met diep zwart, weelderig krullend haar en een volmaakt onschuldige glimlach stond voor De Cocks knoestige neus. ‘Uitkijken’, schreeuwden alle interne alarmbellen die De Cock tot zijn beschikking had. Zo’n vrouw kon alleen maar ellende betekenen. De Cock tilde zijn hoed een lichtjes op, om te laten merken dat hij geheel tot haar dienst was. Ze vroeg, in het Engels met een Frans accent, of dit het postkantoor was. De Cock keek naar het gebouw. Lang geleden stond hier inderdaad een postkantoor. Hoe wist de vrouw dat? Ze was duidelijk niet van hier. En waarom wilde ze dat weten? En waarom vroeg ze uitgerekend De Cock om raad? Was ze een huurmoordenaar, in dienst van de onderwereld? Vragen die om een antwoord schreeuwden. Maar dat antwoord kwam niet, want voordat De Cock haar kon ondervragen glimlachte ze zenuwachtig, en rende vervolgens weg richting een vluchtauto. ‘Vreemd’, dacht De Cock bij zichzelf.

Op de tweede verdieping van de Openbare Bibliotheek, rond 12.45 uur
De Cock met C-O-C-K stond voor de Q. Zijn koele, bebrilde ogen gleden langzaam langs de ruggen van de boeken. Behoorlijk veel boeken van Queneau, maar geen Stijloefeningen. Nergens te bekennen. ‘Vreemd’, zei De Cock voor de tweede keer die dag. Hij parkeerde de kruiwagen met de nog altijd slapende Vledder naast een computer en tikte een zoekopdracht in. Volgens de online catalogus van de Openbare Bibliotheek lag het boek gewoon op de plank. ‘Zeer vreemd’, mompelde De Cock. Het leek er verdacht veel op dat het boek op klaarlichte dag verdwenen was. Hij liep naar een medewerker. Een licht getinte jongeling die druk bezig was het een en ander in te tikken op zijn computer. ‘Jonge heer’, zei De Cock. De jongeling schrok. De Cock maakte een interne aantekening en legde zijn probleem voor. De jongeling tikte weer wat in op zijn computer en liep, zonder wat te zeggen, richting de Q. Alwaar hij begon te zoeken.
‘Vreemd’, zei de jongeling. Hij begon bij de P en de R te zoeken. En daarna op de trolleys waarop net teruggebracht boeken lagen te wachten om terug gezet te worden.
‘Zeer vreemd’, zei de jongeling.
‘Waar hebt u het boek voor de laatste keer gezien’, zei De Cock.
‘U denkt toch niet dat ik…?’, zei de jongeling. Waarop hij De Cock aanraadde een mail naar het magazijn te sturen. De kans was groot dat het boek daar lag, aangezien het geregistreerd stond als aanwezig, maar niet aanwezig was. De Cock trok zijn wenkbrauwen sceptisch op, maar besloot de raad op te volgen. Hij stuurde een mail.

Op de vijfde verdieping van de Openbare Bibliotheek, in het restaurant, rond 13.15 uur
De vijftien minuten wachttijd liet hij op de bovenverdieping voorbij glijden, onder het genot van een ouwe klare. Du moment dat De Cock de kop van de jenever eraf slurpte, werd Vledder wakker met een warrig ‘ik weet van niks…’ De Cock bestelde middels een eenvoudig handgebaar nog een ouwe klare en bracht zijn kompaan op de hoogte van het per toeval ontdekte raadsel. ‘Vreemd’, concludeerde ook Vledder. ‘Je kan zien wie zijn leermeester is’, bedacht De Cock. Doch mijn scherpe observatievermogen moet hij jammer genoeg missen.

Op de tweede verdieping van de Openbare Bibliotheek, rond 16.30 uur

Een ruime drie uur en een kleine negen ouwe klares p.p. later, waggelden De Cock en Vledder de lift uit. De Cock logde in op zijn mail. De letters dansten over het scherm. Hij negeerde de 34 als ‘zeer urgent’ aangeduide mails van commissaris Buitendam en klikte op de mail van het magazijn. Met dubbele tong las hij voor dat Stijloefeningen gewoon op de tweede verdieping aanwezig moest zijn.
‘Vreemd’, zei Vledder.
‘Zeer vreemd’, zei de Cock.

In een babywinkel op het Bos en Lommerplein, 17.44 uur
Vlak nadat hij een paar babyschoentjes had gekocht, bedacht De Cock zich dat hij helemaal geen baby had. Zijn identiteitscrisis zou nog wel even aanhouden. Met of zonder C-O-C-K. Hij besloot zich er zo min mogelijk van aan te trekken, zette zijn hoed op en liep huiswaarts.

3 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *