Stijloefeningen (78) – Interview

Molovich: De avond valt. In de verte het hongerige geblaf een roedel bloedhonden op zoek naar een ontsnapte gevangene. Wij zitten binnen. Plaid over de benen, een gin-tonic binnen handbereik. Naast mij zit ikzelf, Max J. Molovich. Levensgenieter, goeroe zonder volgelingen, zorgzame vader. Max, we hebben van te voren afgesproken elkaar te tutoyeren.

Molovich: Dat hebben wij inderdaad.

Molovich: Juist ja. Laten we bij het begin beginnen. Je was op zoek naar een boek. Stijloefeningen van Raymond Queneau.

Molovich: Dat is correct. Ik was er al een week of zo naar op zoek. Naar Stijloefeningen in de bewerking van Rudy Kousbroek. Waarom ik daarin geïnteresseerd was is trouwens ook wel een leuk verhaal….

Molovich: Waarin wij niet bepaald geïnteresseerd zijn. Hou je bij de feiten. Je was op zoek naar Stijloefeningen van Raymond Queneau. Omdat je dat nergens had kunnen vinden, wilde je het gaan lenen in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Beschrijf eens hoe je uit de bus stapte.

Molovich: Euhm. Ja, ik stapte uit de bus, zoals je uit een bus stapt als je een kinderwagen bij je hebt. Dus ik stapte achterwaarts uit, tilde eerst de achterwielen van de kinderwagen op de grond, liep weer een stukje naar achteren, hield daarbij de voorwielen omhoog, draaide de kinderwagen op de achterste wielen een kwartslag naar rechts, zette ook de voorste wielen neer en begon te lopen.

Molovich: Jaja. Zo uitgebreid was nu ook weer niet nodig. Vertel eens hoe je over dat stationsplein liep. Wat voor weer was het?

Molovich: Tja. Wat voor weer was het? Druilerig. Herfstig zelfs. Een op zichzelf onschuldig miezerregentje dat desalniettemin het gezicht op een venijnige manier bewerkte dankzij de striemende wind die over het Stationsplein joeg. De mensen keken naar beneden, kop diep in de kraag, zo snel mogelijk van en naar het station lopend.

Molovich: En toen liep je ineens over een plank.

Molovich: Inderdaad. Toen liep ik ineens over een modderige plank.

Molovich: Met overal bouwputten.

Molovich: Met aan beide kanten bouwputten.

Molovich: Beschrijf de sfeer eens?

Molovich: Mistroostig. Heiende heipalen, drillende drilboren. Nee, daar werd een mens niet vrolijk van. Ik in ieder geval niet.

Molovich: En daar was ineens de bibliotheek en werd je, volkomen onverwachts, aan je mouw geschud.

Molovich: Nounou, je hebt je huiswerk goed gedaan. Maar inderdaad, een jonge vrouw, met gitzwart, wild krullend natgeregend haar stond voor me. Ze vroeg in het Engels met een Frans accent of dit het postkantoor was.

Molovich: Maar het was de bibliotheek!

Molovich: Het was de bibliotheek. Nu wist ik dat hier nog niet zo heel lang geleden inderdaad een postkantoor had gestaan. Waarschijnlijk had ze een heel oud toeristisch boekje waaruit ze haar informatie had gehaald. Dus zo vreemd was het niet. Ik wilde het net gaan uitleggen toen…

Molovich: Toen ze achterom keek.

Molovich: Toen ze achterom keek.

Molovich: En wat zag ze daar?

Molovich: Een Renault 21 die achteruit rijdend wegreed.

Molovich: Een Renault 21 die achteruit rijdend wegreed. Sensationeel! Wat dacht je toen je dat zag?

Molovich: Het leven is een loterij. Maar dat denk ik eigenlijk altijd, de hele dag door. Maar goed. De vrouw keek vervolgens weer naar me om, liet me een briefje zien waarop ik twee adressen kon onderscheiden. Ik vertelde dat ze naar de Raadhuisstraat moest, maar helemaal zeker of ze me verstaan heeft weet ik niet, want voordat ik het goed en wel door had, rende ze weg richting de Renault.

Molovich: Wat een verhaal! Niet veel later stond je op de tweede verdieping naar Stijloefeningen van Queneau te zoeken en vond je helemaal niks.

Molovich: Ik vond inderdaad niks.

Molovich: En wat doet een clevere boy als jij dan? Die raadpleegt de computer. Je weet immers nooit.

Molovich: Precies. En wat zie ik daar? Stijloefeningen is gewoon aanwezig.

Molovich: Ongefuckinglooflijk! En toen?

Molovich: Toen ben ik naar de eerste de beste medewerker gegaan en die heb ik mijn probleem voorgelegd.

Molovich: Stonk ie?

Molovich: Wablief?

Molovich: Of de medewerker stonk. Mannelijke bibliothecarissen hebben vaak last van een penetrante lichaamsgeur. Waarom, dat weet niemand, maar het is zo.

Molovich: Nu je het zegt. Hij rook, als ik mij de geur nu goed voor mijn geestesneus haal, naar een natgeregende geit. Maar goed. Hij ging me dus voor…

Molovich: Zijn natgeregende geitengeur door de bibliotheek verspreidend….

Molovich: …en bij de Q aangekomen ging hij op zoek naar Stijloefeningen. Maar ook hij vond het boek niet.

Molovich: En toen heb je gedreigd zijn familie uit te moorden als hij niet snel met dat vermaledijde stukje literatuurgeschiedenis op de proppen kwam. De vuile stinkgeit.

Molovich: Nee hoor. Hij raadde me aan een mailtje naar het magazijn te sturen.

Molovich: Het magazijn?

Molovich: De medewerker dacht dat als het boek niet op de planken ligt, maar wel in de computer is ingevoerd, dan is het waarschijnlijk al wel teruggebracht, maar ligt het nog niet op de daartoe bestemde plek.

Molovich: Jaja…

Molovich: Dus ik een mail sturen. Moest ik vijftien mintuutjes wachten.

Molovich: Vijftien fokking minuten. Maar toen had je het boek wel natuurlijk!

Molovich: Helaas niet. Volgens het mailtje lag het boek gewoon waar het moest liggen.

Molovich: En waar moest het liggen?

Molovich: Op de plek waar ik de hele tijd had gekeken.

Molovich: Het is niet waar!? Dus toen heb je gedreigd die geitenhoeder en z’n familie levend te villen en op staken te spietsen natuurlijk?!

Molovich: Nee, toen ben ik naar het Bos en Lommerplein gegaan om in een babywinkel babyschoentjes voor m’n zoon te kopen.

Molovich: Ook mooi.

Molovich: Vond ik ook.

Molovich: Dank dat je dit met ons wilde delen.

4 responses

  1. Daar heb je gelijk in, @kaleries. Het blijft een leuk, maar tegelijk geheel zinledig verhaal. Elke ochtend kijk ik even wat Max nu weer heeft verzonnen. Ik stel me voor hoe het zijn gezinsleven beïnvloedt.
    Max: ‘Lieve I., wat moet ik morgenochtend toch weer doen?’
    I.: ‘Zou je niet iets romantisch kunnen schrijven, honnepon?’
    (Sorry, I. Zoiets zou je natuurlijk nooit zeggen, behalve in een zeer ironische bui. Maar Max moet nog maar twintig afleveringen maken, en nu komen dus de tijden van goede raad, let op uw praat er aan. Steun je man in deze moeilijke periode.)
    Bijna pissend van het lachen, besluit ik: Max verzint die twintig afleveringen zo.

  2. Ik hoor echo’s van het klassieke ‘Arbeidsonrust in Zwolle’-interview (door de tralies van het hek van de Eurotex Tandenborstelfabriek) van Koot en Bie. Maar het mooist vond ik het antwoord op de vraag wat je toen dacht: ‘Het leven is een loterij’, en de daaropvolgende relativering. Ik denk dat ik die wel eens ga gebruiken, in het echt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *