4 responses

  1. Krèk! Wat is schaken toch een mooi spel, niet?
    Nu had ik mezelf beloofd dat ik de goede oplosser van deze tweezet (weer van Sam Loyd, dacht ik) zou voorstellen, een correspondentieschaakpartij te gaan spelen. Je weet wel, zo’n partij kan negen of twaalf jaar duren, want we houden geen tijdslimiet aan.
    Dus je mag het zeggen. Neem je wit of zwart? Als je wit neemt, speel ik 1…, c5 of 1…, e6 of 1…, d5, ik waarschuw je maar, dus je mag ook zwart kiezen. Dan speel ik 1. e4.

  2. Hm, het is een mooi aanbod, maar correspondentiepartijen, kunnen die nog wel? Want kijk, eerst pak ik er mijn schaakboeken erbij, dat mag. Maar de databases zijn voor de schaakboeken in de plaats gekomen, dus die mag je eigenlijk ook wel raadplegen. Dus de opening speel ik zeker tot de twintigste zet correct, als jij dat tenminste ook doet – en je moet wel, je doet mee of je gaat ten onder.

    En dan bieden na die twintig of nog meer zetten eindelijk de databases geen soelaas meer – en dan val ik in een diep gat. Moet ik het helemaal zelf gaan bedenken. Dan is de verleiding toch wel erg groot om Fritz of ShredderChess erbij te pakken, “om mijn idee even door te rekenen”. Natuurlijk bedenk ik zelf nog een zet, maar ik wil niet bij de eerste eigen zet meteen een blunder maak.

    Maar vervolgens, ben ik bang, laat ik de computer maar meteen ook de zetten bedenken, kies ik hoogstens nog een doorgerekende variant die er intuïtief uitziet, die ik dus “zelf had kunnen bedenken”.

    Ik denk dat het zo ongeveer gaat, met het hedendaagse correspondentieschaak, als dat nog gespeeld wordt.

    Liever dus een keer echt met een schaakbord!

  3. Je hebt gelijk, Wouter. Bovendien vreet het tijd, correspondentieschaken: er is zo verschrikkelijk veel theorie beschikbaar. Zo ben ik nu bezig met het Schots Gambiet en man, man, wat een oerwoud aan varianten!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *