Paap en de zomerfeesten (2)

Jaap krijgt bij het voorbereiden van de zomerfeesten hulp van Gorp, die hem vertelt dat de meidjes uit het dorp hem mijden vanwege zijn door de schepper geschonken forse voorziening. Uiteraard biedt de oude paap zijn raad aan, en nodigt Gorp uit die avond eens te komen praten, welk aanbod de jongen in gretige dankbaarheid aanvaardt.


Een weinig nerveus liep ik mijn schamele woning door om te controleren of alles in gereedheid bleek voor het bezoek van Gorp, de grote boerenzoon die zijn heikel punt met uw schrijver zoude komen  bespreken. Niet dat er veel te controleren viel: ik leefde in matigheid en hoopte dat de enige zetel in mijn huis de jongen zoude kunnen houden. Wellicht ook ware het beter om de knaap direct op het bed te laten plaatsnemen, bij welke gedachte mijn laaggelegen boomwortel op voorhand begon te dansen. Vermanend sprak ik mijn sapknecht toe: het ging hier om een ernstige aangelegenheid en daar konden we geen gedonder bij gebruiken. Nasputterend legde mijn zich lager in de broederorde bevindende onderman zich daarbij neder, zij het in koppig protest.
Dan diende zich het probleem aan van het aanbieden ener verfrissing en dat ik niet wist wat de jongen zoal gewend was te gebruiken. Uiteraard had ik diverse kruiken wijn op voorraad, maar de jeugd van tegenwoordig hield zich – naar de laatste berichten – ook wel onledig met het nuttigen van nieuwerwetse vindingen zoals priklimonade en ander vreemd spul. Dat had ik allemaal niet in huis en ik besloot aan te vangen met een pot verse brandnetelthee, wat het bloed zo fijn zuiverde alsmede lid en leden prikkelde tot energie.

Bij een bedeesde klop op mijn voordeur besefte ik juist op tijd dat ik nog ongekleed was, en schoot snel een comfortabel zittend habijt van fijne trijp aan, waarna ik de deur aandeed. Ach, goede lezers en ook lezerinnen: als ge toch eens kon zien wat ik toen zag, zoude ge spontaan in manuele eigenliefde zijn uitgebarsten om het leven te vieren. Een blozende en schoongeboende Gorp stond voor den deur met zijn klompen in de hand. De karnemelkse mannenpap ontvlood mij bijkans de heftig koppende kandelaber bij het zien van zoveel groots, doch ik beheerste mij en probeerde niet al te nadrukkelijk naar de streek der geneugten van deze knul te staren.

“Treed binnen, goede Gorp,” zeide ik hartelijk. “Ik heb thee.”

Het was lidverwarmend om te zien hoe de enorme kerel het brave hoofd moest neigen om niet met de bovendorpel van de buitendeur in onzachte aanraking te komen bij het binnentreden, en ik ging hem voor naar de woonruimte, anderhalve meter verderop. Snel nam ik plaats in de enige zetel en wees met een gul handgebaar naar mijn sponde, waarop de jongen zonder morren plaatsnam en waar ik hem vanuit mijn plek in de sober ingerichte ruimte goed kon bekijken. Bij het zien van zijn schone gezicht, handen en nagels bekroop mij het stille verlangen om later – nadat wij thee hadden gedronken – een luchtige inspectie achter zijn oren en wellicht op andere, anatomisch soms lastig bereikbare en derhalve bij de dagelijkse wassing eenvoudig vergeten plaatsen uit te voeren, doch ik sprak mezelf in gedachten vermanend toe. Het ging hier om een medemens in nood, die hulp behoefde. Dus die inspectie kon best een paar minuten wachten, besloot ik.

“Welnu,” sprak ik de jongeman toe, nadat wij voorzien waren van brandnetelthee. “Ge verwittigde uw broeder eerder op deze dag des Heeren van uw schroom, en ik heb u aangeboden daarover eens van gedachten te wisselen. En hier zitten we dan.” Het klonk mijzelve enigszins vals in de oren doch de brave Gorp gaf geen blijk van ongenoegen. Hij knikte maar eens.

“Ja, daar zitten we dan,” bevestigde hij. Nog terwijl ik mijzelve de hersens pijnigde om een wijze te vinden waarop ik de knul zoude kunnen bewegen enkele nadere details omtrent zijn problematisch gebleken grootte te belichten, stond de reus op, knoopte zijn werkmansbroek los en liet toen beide broeken zakken.

“Kijk broeder,” zeide de onschuld. “Dit is het probleem.”

Benevens het door het mij vergunde adembenemende aangezicht van wat daar traag doch welgemoed naar buiten kwam rollen, trof mij vooral de oprechte, zoekende blik van de jongen. Dit resulteerde in een geweldige stuwing der vloeistoffen in mijn buis van ontginning waardoor ik bijkans de zorgvuldig opgebouwde celibataire spaarrekening van maanden leegde. Een snelle, geforceerde doch klinkende beeldvorming van onze minister van volksgezondheid, welzijn en sport echter, deed het tij keren en zorgde ervoor dat ik een en ander ternauwernood binnenhield. Per slot van rekening beliefde de knaap mijn hulp en zat hij er waarschijnlijk niet op te wachten door mijn lauwwarme feestelijkheden te worden besprenkeld, hoewel ik dat niet zeker kon weten en waaraan ik stillekes toch durfde te twijfelen. De wens is immers het Onze Vader der gedachten.

Intussen stond Gorp daar: zijn knots van formaat reuzenzwam ontgulpt en zachtkens zwaaiend in de bries onzer vriendschap. Het had op uw schrijver een mesmerizerend effect. Ik werd geacht iets te zeggen of te ondernemen, doch ik vertrouwde mezelf nauwelijks toe te ademen terwijl mijn blik aan het zacht bungelende beest van Gorp gekluisterd bleef. Buitendien werd ik tevens overmand door vertedering vanwege het mij geschonken vertrouwen der boerenknaap, die daar zo pront zijn tapijtrol aan de bedompte lucht mijner kamer blootstelde. Na enige tijd echter, vond ik mijn stem terug.

“Wel, goede Gorp,” zeide ik. “Ik zie wat ge bedoelt: het is voorwaar geen sperzieboonformaat wat ge daar naar buiten slingert.” De jongen ontspande een lichtelijk; wellicht doordat ik er in slaagde een professionele houding te bewaren terwijl ik tegelijkertijd onderhavig was aan een dreigende scrotale explosie.

“Kunt ge hem eens in parate toestand brengen?” vroeg ik met een zelfs voor mij onverwachte overmoed. Ik schrok van mijn eigen brutaliteit, lezerinnen en lezermannen, dat wil ik wel graag vermeld hebben. Gorp echter, vertrok geen spier, pakte zijn blusapparaat in beide handen en bracht hem binnen tien tellen in een wel zeer oplettende houding. Met een laatste wilsinspanning wist ik te voorkomen dat mij de bruisende natuursappen alsnog spontaan ontvloden. Nimmer ervoer ik zulk een krapte in mijn gewaad als juist op dat ogenblik. Aangemoedigd door het jeugdig enthousiasme van de straffe boerenzoon en zijn eigenaar zeide ik: “Tja, brave Gorp. Een en ander is heel niet eenvoudig te beoordelen op deze wijze. Ik denk dat uw stam der genietingen op een of andere wijze tot ontlading gebracht dient te worden.”

Gorp knikte alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.

“Dat is geen probleem, broeder Paap,” zeide hij. “Ik moet hoe dan ook minstens acht maal daags afromen, wil ik niet gek van stijfheid worden.”

Deze laatste opmerking zorgde ervoor dat ik alsnog ruim een kwart liter prejaculatief vocht verloor, hetgeen ik maar langs de binnenkant mijner kledij naar beneden liet biggelen doch waar ik verder geen aandacht aan schonk.

“Juist,” sprak ik, en mijn stem klonk verstikt. “Het zoude daarbij waarschijnlijk een objectiever beeld geven indien uw nederige broeder Jaap – ge moogt nu best broeder Jaap zeggen, nu wij immers zulke gewichtige en ook persoonlijke zaken behandelen – daar een weinig aan bijdroeg door middel van manuele ondersteuning, me dunkt.”

Wederom werd het mij angstig te moede bij de gedachte dat het elk moment kon gebeuren dat de goede boerenknuppel vond dat uw schrijver uiteindelijk dan toch de grenzen der betamelijkheid was gepasseerd, doch ook deze maal knikte de reus, trok zijn handen van zichzelf af en stak mij zijn door veelvuldige massages en andere wrijvingen geoefende mast van hemelse vreugde toe. Ik kon niet anders, goede leesgeliefden, dan ademloos toegrijpen; hetgeen ik dan ook deed.

En voordat gij – aanbeden leesbeest – uw heimelijk afgedwaalde en reeds op de plaats van nat geluk verborgen hand het zo node op handen zijnde wonder gods laat geschieden dien ik u bestraffend toe te spreken. Natuurlijk: ik begrijp uw opwinding volkomen en zou de laatste wezen om u te belemmeren dit natuurschoon aan u te laten voltrekken, doch de gebeurtenissen namen een dusdanige wending dat het mij zou ontsieren indien ik u niet ruim voor het uitbarsten uwer  vreugdestromen zou waarschuwen. Het is niet een moment waarop ge uw hand daar wilt hebben waar het warm en veilig is, en altijd plezierig toeven. Ge zijt aldus op de hoogte, en verdere consequenties zijn geheel voor uw eigen verantwoording, moogt ge mijn advies in de wind slaan en balsturig het zo prangende werk aan uzelve voltooien.

Het moment waarop ik Gorps kneedklare deegroller met beide handen probeerde te omvatten, lezers en lezerinnen van mijn hart, was tevens het moment dat de voordeur met een luide slag en zonder geklop vooraf werd opengetrapt. Hevig geschrokken keerde ik mij om en gevoelde het rondhout van de nooddruftige boerenzoon schokken terwijl ik dat deed.
In de deuropening stond een kerel, zo mogelijk nog groter dan Gorp. Hij staarde met gefronste wenkbrauwen naar het moois dat ik in handen hield en daarna naar mij.

“Het is mijn vader,” hoorde ik Gorp boven me zeggen. Ik had van zulks reeds het vermoeden gekregen, gezien de grootte van de man en de familiaire gelijkenis in gezicht en bebroekte lendenen hetgeen me in de grote spanning van dat moment niet was ontgaan. Een professionele blik laat zich niet bij het eerste het beste verstorende element elimineren, is het wel?
Na enkele ogenblikken van heen en weer gestaar en waarin ik me op de achtergrond bewust was van het steeds heviger kloppen in Gorps gevaarte – waaruit ik de veronderstelling puurde dat de pollutie niet ver weg meer kon zijn – opende de enorme kerel zijn mond.

“Is dit de goede raad van broeder Paap waarover ge het had, zoon?” vroeg de gigant op gevaarlijk zachte toon.

–          Wordt vervolgd

7 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *