Mid-price Sedan

used-car-salesman

“Nee hoor, ik praat alleen met mijn advocaat. O, u bent mijn advocaat. Ja natuurlijk. Gaat u zitten . Wilt u weten dat ik me beroerd voel? Schuld? Mijn schuld? Nee meneer, echt niet. Goed, een beetje mijn schuld dan. Maar het was geen kwade opzet, begrijpt u wel? Zíj heeft me zover gedreven. Zij is begonnen.

En ze had van mijn auto af moeten blijven. Die auto was alles voor me meneer. Och het was liefde op het eerste gezicht. Ik stond daar helemaal te kwijlen, daar in die grote witte showroom. Glanzend chroom en glimmend lakwerk zover je kon kijken. Het speeksel liep me letterlijk door de mond, wilt u dat geloven meneer? Als er een hemel is, dan hoop ik dat hij er zo uitziet: magnesium velgen, kunststof spoilertjes,  ik was helemaal gelukkig. De verkoper stond handenwrijvend over de motorkap gebogen. Zo’n overijverig joch met stekeltjeshaar en een glimsmoel. ‘Dit is onze meest aantrekkelijk geprijsde mid-price Sedan meneer,’ slijmde hij. ‘Stuurbekrachtiging, dubbele airbag, ABS, verwarmde buitenspiegels… Nou, wat denkt meneertje er van?’ Wat een galbak. Maar ondertussen was ik wel sprakeloos. De schoonheid. De souplesse. Natuurlijk nam ik hem. Een lakwerkje om te zoenen meneer. Ik kreeg het bijna warm van. Ik spuit zelf ook, moet u weten. Nee geen carrosserieën: machine-onderdelen. Als je dat een tijdje doet krijg je een scherp oog voor een goed stukje werk. En dat was mijn nieuwe sedannetje, meneer. Die spuitrobots tegenwoordig…

Voor het eerst in mijn leven kocht ik een nieuwe auto. En met grimmige voldoening, mag ik wel zeggen. Ik zou eigenlijk gaan trouwen, en op huwelijksreis van dat geld. Maar dat ging mooi niet door.  Ja, ik woon aan de Prinses Christinalaan, dat klopt. Dat buurtje achter de snelweg. Staat al jaren op de renovatielijst. Och, het is er zo gehorig meneer. Dunne wandjes. Enkel glas. Sommige mensen in mijn straat werken zelfs nog met losse gasflessen. Maar ik zit er prima hoor, daar niet van. Ik heb een hoekhuis, samen met een maat heb ik overal dubbel-glas gezet. Kunststof kozijnen, onverwoestbaar spul. Verkleurt wel, dat klopt, maar gelijkmatig, als het ware. Ja ‘die kleine’ heeft ‘t prima voor mekaar. ‘Die kleine’, zo noemen ze me op de fabriek. Achter mijn rug om ook ‘Henk bochel’ . Dat heeft u goed gehoord. Ja. Dat is hard. Maar het is de waarheid. Kijk, daar zit ie, m’n bochel. En mijn vrouw is niet gestorven maar heeft me verlaten voor een man die rechtop loopt. Zo. Dat is er uit. Hard maar waar.

Maar zoals gezegd, ik had het prima voor mekaar. Totdat die vuile… tot dat mens dus naast me kwam wonen. Ze hield zich de eerste weken gedeisd. Dat beviel me wel. Maar op een middag lag er zo’n briefje in de bus. Of ik die avond even op de koffie kwam. Toevallig had ik niks te doen, dus ik trok een nette bloes aan en belde aan. Bleek het nog een hartstikke leuk vrouwtje te zijn ook. Een jaar of vijfendertig, ongeveer mijn leeftijd. Wel met rimpels, maar ze had een lief snoetje. En een stukje zelfgebakken taart bij de koffie… Nou meneer, alsof er een engeltje over je tong fietste! En: ze had het nieuwste van het nieuwste op televisiegebied. Zo’n groot, glanzend zwart apparaat. Toen ze zag hoe ik ernaar loerde, nodigde ze me uit om die zondag voetballen te komen kijken. Zo’n vrouwtje was het, meneer.

Of ik een relatie met haar had? Daar zijn we nog niet meneer. Oh, en wilt u haar niet steeds ‘het slachtoffer’ noemen? Want zo was het helemaal niet. Voor ik bij haar wegging stelde ze me nog even voor aan “Lorre”. Ze had zo’n kobaltblauwe papegaai in een goudkleurige kooi op tafel, een monster van een beest. Dat beest was machtig intelligent. Geloof het of niet, maar die vogel kon: ‘Papegaaitje leef je nog!’ zeggen. En als ze dat tegen hem zong riep hij: ‘Iejadeeja!’ Ik verzin het niet meneer. Ach ze was verzot op haar Lorre, ze voerde hem pinda’s met haar mond…

U begrijpt, ik kwam daar vaker. Op een avond werd het heel gezellig en hebben we voor het eerst gezoend. Ik wilde natuurlijk meteen de koffer in, maar zij wilde het rustig aan doen. Zo iemand is het. Nooit eens een leuk rokje aan. Een leuk rokje waar je dan lekker met je handen… Dat deed ze dus niet. En onder de gordel: geen sprake van.

Tot het zover was. Ik herinner me die avond alsof het gister was. Een heerlijke zomeravond. We zaten bij haar achter op het platje en zoenden zachtjes in de avondschemering. En ineens zoende ze me met tong. Ze kroelde door mijn haar en noemde me poelepoepje. Ik voelde dat ze een beetje romantisch aan het worden was. Ik blijf natuurlijk een kromme hè, maar ik had een plan: ik heb aardig wat geld, omdat ik altijd tweedehands koop en geen gekke dingen doe zoals horeca. Ik had een ring gekocht. Ik wilde haar ten huwelijk vragen en daarna met veel zwier op huwelijksreis. Prima investering, want zo’n vrouwtje kwam ik natuurlijk nooit meer tegen. Ik haalde het doosje tevoorschijn. De steen zou na een half jaar waarschijnlijk uit de ring uitvallen, maar dat wisten alleen de juwelier en ik. ‘Lieve Ingrid, met deze ring wil ik je ten huwelijk vragen,’  zei ik.

Ik fluisterde in haar oor: ‘Ik heb een mooi potje met geld gespaard en daarvan gaan jij en ik trouwen en mooi op huwelijksreis. Wat zeg je me daarvan?’ Ze keek me aan met van die ontroerde ogen. ‘Meen je dat?’ Ze omhelsde me en we werden intiem. Intiemer dan we ooit geweest waren. Ik fluisterde: ‘Kom we gaan naar je slaapkamer kijken.’ Ze sloeg haar ogen neer en nam mijn hand. Het voelde alsof ik in de Champions League speelde en ging scoren. Met een omhaal, net als Van Basten. We beklommen de trap. Ik had al op de tast vastgesteld dat haar borsten mooi en vol waren. Ja, ze had een prachtig lichaam meneer. Ze ging op bed zitten en knoopte langzaam haar bloes los. Hemel wat een mooie borsten hingen er in die beha. Ik wreef in mijn handen. Wat een buitenkansje. Ze deed langzaam haar schoenen uit. Het secreet. Ik had nog niks door. Ze keek me aan, haalde diep adem en trok toen in een beweging haar broek over haar knieën, tot op haar enkels. En toen zag ik het. Van de linkerknie naar beneden zat een dikke, plastic prothese. Het was maar een driekwart wijf, meneer! Een vrouw met een houten poot!  Ik zei niks hoor, niks naars. Maar ik liep achterwaarts de slaapkamer uit en rende de trap af. ‘Hendrik! Lieve Hendrik!’ riep ze me achterna. Teringwijf. Die ring heb ik d’r laten houden. Maar de volgende dag stond deze jongen in de showroom, dat begrijpt u zeker wel hè.

‘Wil meneer per creditcard betalen of in gespreide termijnen?’ Dat is galbak weer. ‘Contant graag,’ zei ik. Dus hij even met het geld naar achteren. Maar het was allemaal in orde. En of het in orde was. In triomf reed ik het parkeerterrein af. Ik parkeerde mijn nieuwe liefde hopla, precies voor haar raam. Dat zou d’r leren. Een beetje een fatsoenlijk werkman van zijn brood beroven.

Een week of wat hoorde ik niks meer. Ik dacht dat het klaar was. Maar op een middag belde ze me op, op mijn vaste lijn. Doodleuk of er niks aan de hand was. Ze zei dat ze die zondag naar haar moeder moest, want die was jarig, en of ik dan op Lorre wil passen. ‘Want die kan niet goed tegen alleen zijn.’ Er zou  taart zijn. Dus ik deed het. De taart was er. Er stond zelfs bier koud. Het voetbal was machtig spannend. ‘Misschien is die houtepoot van je toch zo’n slecht wijffie niet’ zei ik met mijn mond vol taart tegen de papegaai. Lorre zei: ‘Papegaaitje leef je nog?’ ‘Papegaaitje leef je nog?’ Dat beest hield zijn bek maar niet. Op een gegeven moment zei die papegaai ‘Huntelaartje’ ofzoiets. Een nieuw woord in ieder geval. Ik vind dat altijd wel geinig, dus ik zette het geluid even uit en probeerde te verstaan wat dat beest zei. Ik stak net een stuk taart in mijn mond toen ik het ineens verstond. ‘Bultenaartje.’ Ik liet de taart met schoteltje en al op de grond vallen.

Wat een vuil secreet! Maar ik liet me niet kennen meneer. Het was een spannende wedstrijd. Knappe jongen die mij dan gek krijgt. Maar het bloed kookt waar het niet gaan kan. Elke keer dat ik ‘Bultenaartje’ hoorde werd ik kwader. Ik trok grote stukken taart uit de springvorm, duwde ze mijn mond in en keek vingertrommelend verder. ‘Bultenaartje!’ schreeuwde dat rotbeest. ‘Papegaaitje leef je nog?’ ‘Bultenaartje!’  Ik pakte mijn jas van de bank en gooide hem over de kooi. Maar precies tijdens een prachtige voorzet gleed hij  eraf.  ‘Papegaaitje leef je nog?’ ‘Bultenaartje!’ ‘Bultenaartje!’ Ik draaide me woedend om en miste het doelpunt.

Toen werd het me rood voor m’n ogen, meneer. Ik rende op de kooi af en schreeuwde, terwijl ik er zo hard mogelijk aan schudde: ‘PA – PE -GAAI – TJE – LEEF – JE – NOG – GOD – VER – DOMME!’ Vogelzaad en water vlogen door de kamer. Het beest kreeg blijkbaar een tik tegen zijn hoofd ofzo, want daarna lag hij bewusteloos in z’n kooi. Mijn wedstrijd was verpest. In de verlenging kwam dat Lorre-kreng bij. Maar er was iets met ‘m. Zijn pupillen stonden helemaal raar en hij slingerde op zijn stok. En hij bleef maar ‘leef je nog?’ roepen, achter mekaar door. Ik werd er gek van. Mijn avond was grandioos verpest. Ik schreef buuvje een briefje, dat haar papegaai ineens raar ging doen, zette de TV uit en ging naar huis.

En nu komt het: het is gehorig bij ons hè. Ik hoor in mijn slaapkamer precies wat er in haar gang gebeurt. Wat had ze nou gedaan? Ze had die kooi in haar gang tegen de muur gezet. Dus ik hoorde hele nacht ‘leef je nog?’ ‘leef je nog?’ Uiteindelijk heb ik het met slaappillen, op de bank in de huiskamer gered. Ja? Begrijpt u me? Dat mens beterroriseerde mij!

Maar goed. Als je aan mijn nachtrust komt, kom je aan mij. Dus ik sta om zes uur op, klim over haar schutting, haal haar gasflessen weg en zet ze bij mij in de schuur. Ik ben misschien klein, maar ik ben sterk hè. Probeer nou nog maar eens een taart te bakken teef, dacht ik, en ging naar de fabriek. Die nacht begon het weer: ‘leef je nog?’ ‘leef je nog?’ Ik pakte fluitend mijn beddengoed en liep naar de bank. Een paar slaappillen en hoppa. Door die pillen moet ik diep geslapen hebben, meneer. En toen ik de volgende morgen de deur uit stapte sprongen de tranen spontaan in mijn ogen. Zo’n vuil kreng. De lak op mijn nieuwe sedan was van achter naar voren met een scherp voorwerp open gekrast, wel vier, vijf keer. Ja? Op een deur stond met hoekige letters ‘BRUID’ gekrast. Dat ze dat schreef vond ik niet erg. Maar de lak. De lak was het allerergste. Dat rotwijf weet dat ik van goed lakwerk hou. Ik wilde haar deur intrappen, maar bedacht me. Wraak wordt het beste koud opgediend, niet waar?

Ik ging werken en die middag belde ik bij haar aan. Ze antwoordde door de brievenbus. ‘Het is je eigen schuld. Geef me mijn gas terug!’ ‘Rustig maar vrouwtje, ik heb mijn lesje nu wel geleerd,’ zei ik. Ze deed in kamerjas open. Eén echte voet en eentje van plastic in haar pantoffels. ‘Luister’ zei ik, ‘ik sluit vanavond alles weer aan.’
‘Echt waar?’
‘Echt waar.’
‘Maar dan maak ik geen taart voor je hoor. Sorry, ik ben er niet. Ik ga naar mijn ..euh.. moeder.’ Daarna gooide ze de deur weer dicht. Ik glimlachte. Perfect. Alleen die kutpapegaai zou thuis zijn. Ik ontdooide een maaltijd en wachtte tot het donker was. Toen sleepte ik haar gasflessen terug langs het tuinpaadje. Haar huis was aardedonker. Ik hoorde alleen het gekras van dat rotbeest. ‘leef je nog?’ ‘leef je nog?’ ‘leef je nog?’ Ik sloot de gasflessen opnieuw aan en besloot een wandeling te maken. Maar nog voor ik aan het einde van de straat was, kwam me toch een klap. Een enorme knal. Vuur spoot uit alle benedenramen. Misschien is mijn woning wel ontzet. Des te beter. Krijg ik eindelijk een nieuwe van de gemeente. En zij krijgt er natuurlijk ook een. Maar al haar spulletjes, die mooie televisie en die rotpapegaai, dat is allemaal mooi naar de klote. Gerechtigheid meneer.

De buren kwam geschrokken naar buiten gerend. Ja op dat soort momenten zijn ze er als de kippen bij. Ik ging natuurlijk even poolshoogte nemen. Ik duwde de resten van de deur opzij. Ik hoorde gekreun daarbinnen. Tussen rokende meubelresten en glasscherven lag: mijn buurvrouw. Ze moet op de bank hebben liggen slapen, met slaappillen. Anders had ze het gas wel geroken. Ze had een sigaret en een aansteker in haar verkrampte handen. Die bank is haar redding geweest denk ik. Degelijk meubel. Haar prothese was weggeblazen. Haar stompje was raar wit. Haar andere been, het rechter, lag in een rare knik ònder de loodzware bank. Ik probeerde hem eraf te tillen. Lukte niet. Het zag er niet best uit. Het vlees was plat en blauw. Maar die blik in haar ogen mijnheer. Hoe ze me aankeek. Ik hoop dat ik dat nooit meer hoef te zien. En oh ja, die papegaai was geen smakelijk gezicht. Half geroosterd in zijn kooi lag dat beest. En dat zwartgeblakerde gedrocht maar krijsen: ‘leef je nog?’ ‘leef je nog?’

Ja ik heb het gehoord. Dat been gaat er waarschijnlijk af. Nee, die vrouw zal ik nooit meer recht in de ogen kunnen kijken. Maar het was haar eigen schuld meneer! Ze had toch gezegd dat ze weg zou zijn?! Of nee. Ik bedoel… Ach ik heb dit  nooit zo gewild. Echt niet. Kunnen we het niet nog eens overdoen? U bent toch mijn advocaat?”

7 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *