Stijloefeningen (74) – Bejaard

De chauffeur kijkt verveeld maar vooral ook licht geïrriteerd via zijn achteruitkijkspiegel toe hoe ik samen met mijn kleinzoon, die in zijn kinderwagen ligt te slapen, bus 21 uitstap. Waar die lichte irritatie vandaan komt weet ik niet, want dit is de eindhalte, de goede man hoeft de komende twintig minuten nergens naartoe. Het zal de macht der gewoonte wel zijn. De meeste mensen houden niet van oude mensen, het herinnert ze aan de dood en de vergankelijkheid. Men verkiest ergernis boven mededogen. Het kraakbeen in m’n knieën knispert, mijn armen beven onder het gewicht van de kinderwagen. Ik sta op het stationsplein en geef mijn oude benen de opdracht richting de Openbare Bibliotheek te lopen alwaar ik Stijloefeningen van Raymond Queneau hoop te kunnen bemachtigen. Een flinke wind en een daardoor venijnig miezerregentje teisteren mijn knokige vingers en mijn gerimpelde voorhoofd. Aan alle kanten word ik voorbij gesjeesd door jongelui, druk bezig met zichzelf en naar harde dansmuziek op hun walkphones of iMans of hoe heten die dingen luisterend. Wat een rotzooi is het hier trouwens. Dankzij de Noord-Zuidlijn waarschijnlijk. Ik zal wel niet meer meemaken dat die ooit af komt. En toch word ik geacht over een modderige plank te lopen met aan weerszijden troosteloze bouwputten. Dat noemen ze dan vooruitgang.

Terwijl ik op zoek ben naar een mogelijkheid om de Openbare Bibliotheek te betreden, trekt een jongedame met prachtig zwart krullend haar me aan m’n jas. Ze vraagt iets in een taal die zo op het eerste – tamelijk slechte – gehoor geen Nederlands is. Ik draai m’n gehoorapparaat harder en vraag of ze het wil herhalen want mijn oren zijn niet meer wat ze geweest zijn. Ze helt voorover en schreeuwt iets in mijn oor. Door het snerpende gepiep van mijn overstuurde gehoorapparaat heen, meen ik dat ze in het Engels met een duidelijk waarneembaar Frans accent vraagt of dit het postkantoor is. Een gevoel van weemoed trekt door mijn vermoeide lichaam. Ooit stond hier inderdaad het postkantoor. Volgens mij zelfs het hoofdkantoor. Hoeveel brieven van en voor mij zijn hier wel niet langs gekomen? ‘Yes my dear lady,’ zeg ik in mijn beste Engels, ‘this once was a post office indeed, but…’ En bij mijn but draait de jongedame zich verontschuldigend glimlachend om. Achter haar rijdt een grijze wagen van ons weg. De vrouw haalt een papiertje uit haar binnenzak. Ze houdt het voor me. Ik haal m’n leesbril uit mijn binnenzak. Maar voordat ik ’m op mijn neus heb gezet en de woorden heb kunnen lezen, rent de jongedame weg richting de auto.

Binnen, op de tweede verdieping, sta ik bij de Q naar Queneau te zoeken. Ik blijk helaas door mijn knieën te moeten om de ruggen van Queneau’s boeken te kunnen lezen. Ik haal er een krukje bij, hoor het een en ander aan gekraak, geknak en geknap bij mijn knieën en mijn heupen. Er zijn aardig wat boeken van Queneau aanwezig, maar net Stijloefeningen niet. Voor zover mijn broze botten het toelaten kijk ik nog even in de omgeving van de Q, maar ik kan niks vinden. Nu kan het heel goed zijn dat ik er overheen heb gekeken, dus roep ik de hulp in van de eerste de beste medewerker, een jongeman die, aan zijn huidskleur en jukbeenderenstructuur te oordelen, afkomstig is uit een land waar men nog niet zo heel lang kan lezen of schrijven. Toch leg ik hem mijn probleem voor. Hij toetst het een en ander in op zijn computer. Er rollen de nodige gegevens over het scherm. ‘Volgens onze catalogus is het boek gewoon aanwezig,’ zegt de jongen. ‘De techniek staat voor niets,’ antwoord ik monter en ik vraag hem of hij met me mee wil kijken omdat ik m’n eigen ogen die al zoveel hebben gezien niet meer vertrouw. De jongeman loopt voor me uit. Veel te snel, uiteraard. Als ik eindelijk bij de Q ben aangekomen zegt hij met een van spijt voltrokken gezicht dat hij het boek ook niet kan vinden. ‘Het beste wat u kunt doen,’ zegt hij, ‘is een mail sturen naar het magazijn.’ De kans is namelijk groot, zo legt hij mij uit, dat het boek wel is teruggebracht en daardoor geregistreerd, maar nog niet op de juiste plek ligt. Ik zeg dat ik dat wel wil doen, maar dat ik nog nooit een mail gestuurd heb. Ik zou niet weten hoe ik dat moest doen. De jongeman kijkt me ongelovig aan. Ik vraag of hij het mailtje misschien voor me wil sturen. Dat wil hij wel. We gaan terug naar zijn computer, hij verstuurt z’n mail en in de vijftien minuten wachttijd vertel ik hem over het systeemkaartenbaksysteem dat men vroeger in bibliotheken gebruikte. Ik zie zijn gezicht opklaren als er een eigenaardig, soortement van tegelijkertijd zuigend en ploppend geluid uit zijn computer klinkt. En meteen daarop vertrekt z’n gezicht weer. Volgens het magazijn ligt het boek gewoon waar het hoort te liggen. De zegeningen van de moderne tijd! Ik smoor enige spitsvondigheden aangaande de vooruitgang en de techniek die voor niets staat in een veelbetekenende glimlach, bedank de jongeman voor zijn moeite en wandel het gebouw uit. Om een of andere reden lijkt het alsof al mijn lichamelijke ongemakken zijn verdwenen.

Op het Bos en Lommerplein, vlakbij de woning van mijn zoon, koop ik in een babywinkel een paar mooie stevige babyschoentjes voor mijn kleinzoon. Worden z’n enkels eindelijk eens goed gesteund! Z’n ouders zullen me wel dankbaar zijn.

2 responses

  1. Dat “De meeste mensen houden niet van oude mensen, het herinnert ze aan de dood en de vergankelijkheid”, doet me ergens aan denken, weet alleen niet precies waaraan. Couperus? Reve? Midas Dekkers? Campert?

    Wanneer liggen je verzamelde stijloefeningen in de boekwinkel? Het is een heel fraaie serie.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *