Stijloefeningen (73) – Stoned

Zodra ik de bus uitstap steek ik een dikke vette joint op. De derde van de dag al. Ik neem een lange haal, inhaleer diep, houd de rook een tijdje binnen en blaas dan, de lippen gerond, het hoofd een beetje in de nek, een enorme stoomkegel de atmosfeer in. Het miezert een beetje en het waait stevig, weet je. Ik wil niet dat m’n joint nat wordt dus druk ik de gloeiende kop voorzichtig uit op mijn aansteker en stop ’m in m’n binnenzak. Ik duw mijn zoon voort die ligt te maffen in z’n kinderwagen. Z’n favoriete bezigheid. Maffen. Die van mij ook trouwens. Ik had nu in m’n nest kunnen liggen als ik mijzelf niet de bizarre taak had gesteld om Stijloefeningen van Raymond Queneau te bemachtigen. In dat boek vertelt die Franse steunkous negenennegentig keer hetzelfde verhaal. Je gaat mij niet wijs maken dat die gast niet knetterstoned aan een waterpijp lurkte toen ie dat idee bedacht. Te waus gewoon. Wat een hoop mensen trouwens hier op het stationsplein! Te bizar! En niemand kijkt elkaar aan. Alsof ze allemaal op een andere planeet leven. Misschien leven ze ook allemaal op een andere planeet. Misschien is iedereen z’n eigen planeet. Dat zou zomaar kunnen. Wauw! Te gek idee. Brainwave! Iedereen is z’n eigen planeet en alle planeten draaien om elkaar heen en trekken elkaar aan en stoten elkaar af. Dat verklaart alles! Waar ben ik nu ineens? Bizar! De mensen zijn weg. Ik loop over een plank en naast me enorme diepe putten. Geluiden van drilboren en heipalen. Een groep Japanners moet er langs. Ik durf niet van de plank af en vrees het ergste. Ze hebben allemaal zo’n blauwe, driehoekige doos waarin het Van Gogh Museum z’n posters verpakt. Ze zullen allemaal wel die zonnebloem of dat slaapkamertje van Van Gogh hebben gekocht. Hoeveel Japanse toeristen zullen die zonnebloem of dat slaapkamertje wel niet op hun wc hebben hangen, of waar hangen Japanners hun posters op? Fucking bizar. Als Van Gogh dat had geweten, groeide z’n oor spontaan weer aan. En ineens sta ik voor de Openbare Bibliotheek. Te bizar. Wat een gigagebouw. Ik haal de joint uit m’n binnenzak en neem een stevige haal. Terwijl ik de rook een tijdje vasthoud, word ik aangetikt door een dame met dik, moddervet, pikzwart haar dat als een nest palingen op haar hoofd kronkelt. Ze praat in het Engels met een Frans accent. Te bizar gewoon. Of dit het postkantoor is vraagt ze. Wauw! Wat een vraag. Hier stond het postkantoor wel, ooit, lang geleden. Ze zit dus goed, maar toch zit ze fout, want inmiddels is dit het postkantoor niet meer. Te bizar. Ik blaas de rookkegel via m’n linkermondhoek weg van haar gezicht en bied tegelijkertijd m’n joint aan (ik mag dan wel zo stoned zijn als een blok beton, ik blijf een beleefde jongen). Ze slaat de joint glimlachend af. Wat een glimlach! Te zoet gewoon. ‘You know,’ zeg ik tegen haar, ‘this ain’t the library anymore, you know. But it was once. It’s freaking me out, you know.’ Ik wil een heel verhaal tegen haar houden over de aard van de dingen en wat iets is als het niet meer is wat het ooit was… maar er lijkt iets tussen gekomen, want ze kijkt naar achteren. Ik kijk met haar mee, neem een jointje van m’n trek en zie een oude Renault 21, zo eentje waarin MC Solaar altijd reed in z’n clippies die ze midden in de nacht op MTV wel eens uitzonden, toen MTV nog muziekclippies uitzond. Dan zat ik hele nachten lang te smoken en te wachten tot dat ene ultieme clippie dat maar niet kwam. En aan het eind van elk clippie zei je tegen jezelf: nog eentje en dan keek je nog een clippie en nog een en nog een totdat de vogeltjes begonnen te fluiten en dan rookte je nog een joint en dan zweefde je zo stoned als een garnalenkroketje naar je bedje toe om in een droomloze slaap weg te zinken. De vrouw rent inmiddels de Renault 21 achterna, die trouwens achteruit aan het wegrijden is. Te bizar. Ik moet denken aan de achteruitrijraces van vroeger. Met die Daffies die even hard achteruit als vooruit gingen. En dan met geinig commentaar van André van Duin. Jammer dat ik toen te jong was om de hele dag stoned te zijn, anders was dat uitstekend voer voor gigalachkicks geweest, daar kun je vergif op innemen. Te bizar. Ik weet niet hoe, maar ik sta op de tweede verdieping van de bibliotheek. Waarom was ik hier ook alweer? Voor een boek waarschijnlijk. Haha. Maar welk boek? Godverdegodver. Ik ook met m’n stonede harses. Ik draai een rondje rond m’n as. M’n zoon ligt nog steeds in z’n wagen te maffen, de mafkees. Haha. Maffende mafkees. Zou dat daar vandaan komen? Bizar. Maf. Kees. Mafkees. Ik krijg spontaan een lachkick. Ik lag me ziek. In me eentje lig ik hier op de grond, krom van het lachen. Te maf gewoon. Maf is natuurlijk ook gek. Te gek. Te maf. Queneau was ook een mafkees. Of een mafquees. Of een mafqeuneau. Te maf. Te Kees. Te Queneau. Ik was op zoek naar Stijloefeningen van die mafkees van een Raymond Queneau. De cavalerie geeft nooit op! Ik loop naar de Q en als ik bij de Q ben aangekomen weet ik heel even weer niet waarom ik hier sta, maar al snel schiet het me te binnen en begin ik te zoeken. En te zweten. Ik zweet ineens als een otter. Man, wat is het warm hier. Mijn blik gaat langs de ruggen van de boeken. Eigenaardige letter, de Q. Waarom bestaat de Q eigenlijk? Al die Q’s. Quinn, Quintreau. Quaglia. Quest. Het duizelt me. Het koudzweet breekt me uit. Die namen, ze bestaan helemaal niet. Verzonnen door een kwade genius om mij in het qoudzweet te laten baden. Een bezwering. Ze willen me qapot hebben. Al die andere planeten, ze willen me qapot. Wie de fuqk was die Queneau? Welke gestoorde idioot gaat 99 keer hetzelfde verhaal vertellen? In welk melkwegstelsel draai je dan rondjes? Ik kijk naar de boeken van Queneau. Stijloefeningen is niet aanwezig. Logisch. Ik zoek het op via de online qatalogus. Stijloefeningen is wel aanwezig. Logisch. Ik vraag het aan een medewerker die me aankijkt met ogen alsof hij de dood zelve is. Hij is waarschijnlijk de dood zelve. Ik weet het zeker. Ik heb net aan de Dood gevraagd of hij met me mee wil zoeken. De Dood zoekt mee, maar kan het boek ook niet vinden. Logisch. Het boek bestaat niet. De Dood zegt dat ik een mail naar het magazijn moet sturen. Die hebben nog wel een exemplaar. Als de Dood je iets opdraagt, dan weiger je niet. Ik stuur een mail naar het magazijn en krijg vijftien liter koudzweet later een mail terug waarin staat dat Stijloefeningen van Raymond Queneau gewoon aanwezig is en op de daartoe bestemde plek staat. Logisch. Ik moet hier weg. Ik moet hier nu weg! Ik ga weg. Op het Bos en Lommerplein bij mijn huisdealer koop ik een gram Babyschoentjes, een milde maroc waarvan ik ter plekke een sticky rol. Reeds bij de eerste haal voel ik hoe mijn kolkende bloed tot bedaren komt. Ik ben weer thuis. M’n zoon slaapt nog steeds.

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *