Stijloefeningen (68) – Neerslachtig

Ach en wee, ik stap de bus uit. Mijn zoon – in wat voor wereld heb ik die jongen neergezet – ligt vredig in zijn wagentje te slapen, vrij van kwade gedachten. Het regent en waait en dat is maar goed ook. Beter weer zou ongepast zijn. Het is druk op het stationsplein, de mensen kijken naar de grond. Waar moet je ook anders naar kijken? Amsterdam is één grote, modderige bouwput hier. Ze zijn bezig met de Noord-Zuidlijn die er nooit zal komen, ze zijn bezig met het bouwen van kantoorgebouwen waarin niemand ooit zal werken, een paar opportunistische dwazen daar gelaten. Over duizend jaar is alles weg. Ik ben op zoek naar Stijloefeningen van Raymond Queneau – je moet toch wat. Ik ben er al een paar weken naar op zoek. En terwijl ik de treurende heipalen hoor en en de droeve drilboren mijn huilende hart doen resoneren, begrijp ik ineens niet waarom ik deze zoektocht onderneem. Over duizend jaar is niemand er meer die ik ken. Zelfs de allergrootsten van deze tijd, zullen niet meer dan een voetnootje zijn in obscure studies die door niemand worden gelezen. Raymond Queneau? Nooit van gehoord. De loopplank richtin de Openbare Bibliotheek kraakt klagend.

Een vrouw komt op mij af. Haar natgeregende zwarte haar plakt tegen haar wangen. Uitgelopen mascara. Is het de regen, of een peilloos verdriet waaraan zij niet zo lang hiervoor heeft toegegeven? Ze vraagt aan me, in een Engels met heimwee naar Frankrijk, of dit het postkantoor is. Nee, mevrouw, het postkantoor stond hier wel ooit, maar zoals u ongetwijfeld weet: alles moet weg. Dat heet vooruitgang. Haar bibberende handen halen een papiertje uit haar binnenzak. Haar droeve ogen kijken mij verontschuldigend aan, als haar aandacht ineens wordt getrokken door een donkergrijze Renault achter haar. De Renault rijdt achteruit rijdend weg en ik lees twee adressen op het papiertje. Een daarvan is de Raadhuisstraat en ik vertel de vrouw dat ze daar moet zijn. Maar terwijl ik het vertel rent ze weg. Dat gebeurt me overigens wel vaker, niet iets om uw medeleven van zolder voor te halen.

Als ik bij Queneau begin te zoeken, blijken er een hoop van zijn boeken aanwezig te zijn, maar net Stijloefeningen niet. Dat was te verwachten. Voor de vorm kijk ik nog even bij de P en de R. Maar ook daar is niks te zien. Al die boeken, waarvoor zijn ze geschreven? Wat is het nut? Ze staan daar maar te staan. Al die letters, al die hersenspinsels, de meeste totaal oninteressant. En het is nog maar het begin. Ik ga achter een computer zitten en zoek in het online archief. Stijloefeningen blijkt dus wel aanwezig te zijn. Maar wat doet het er toe? Ik sleep mezelf naar een medewerker. Zware wenkbrauwen wijzen naar beneden. Zijn schamele haar is naar één kant gekamd om zijn kaalheid te verbergen. Hij kijkt me aan vanachter zijn bril als een oude, slechtziende hond die niet zeker weet of hij de persoon die voor hem staat kan vertrouwen. Ik vertel hem mijn bevindingen. Zonder iets te zeggen loopt de man voor me uit, gebogen schouders, hij hinkt een beetje met z’n rechterbeen. Hij zoekt, zwijgend, en vindt niks. De medewerker vertelt, nauwelijks hoorbaar, dat het magazijn waarschijnlijk nog een exemplaar heeft. Ik stuur een mailtje en krijg vijftien droeve minuten later het nieuws dat Stijloefeningen op de plek ligt waar ik al die tijd heb lopen zoeken. Het was te verwachten.

Op het Bos en Lommerplein koop ik babyschoentjes voor m’n zoon. Een troost wil ik het niet noemen, maar het is iets.

One response

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *