Paap en de weduwe Ploppens (3)

Wat vooraf ging

Paap is op listige wijze gevangen in het web van weduwe Gurpke Ploppens’ sensuele honger, en merkt alras de kwalijke gevolgen. De sociale chantage, vaardig uitgeoefend door Ploppens, weerhoudt hem ervan haar af te wijzen en hij verkeert nu in een positie die vele malen pijnlijker mag worden geacht dan een door ongeoefende atleten per abuis uitgevoerde spagaat. Er moet snel een oplossing komen…

Het kon zo toch niet langer, mijmerde ik. De goede weduwe was zojuist vertrokken, mij achterlatend met het schrijnen der delen. Daarbij was ze vergeten – aan moedwillig wilde ik niet denken – mijn touwen los te maken waardoor ik geheel machteloos genoodzaakt was het bed te bevuilen, hetwelk op zich geen vervelende sensatie was voor het moment zelve doch zeker enig ongemak nadien opleverde.

Intussen dacht ik na over de onmogelijke situatie waarin ik me thans bevond. Gurpke Ploppens had het slim bekeken: ik bleef aan haar buitensporige vleeswensen voldoen of ik raakte mijn brave broederimago kwijt, had ze beloofd. Het eerste begon een probleem te worden. Nog vier van zulke avonden en ik zou sneller dan verwacht verantwoording afleggen aan mijn schepper. Het tweede was zo mogelijk een nog groter probleem. Mijn imago was me dierbaar; niet vanwege valse trots of een opgeblazen ego, maar simpelweg vanwege de inkomsten die het mij opleverde met het schrapen der korstige werkmansbroeken. Mocht ooit bekend worden dat ik tussen het schrapen door welgemoed mijn hertogjan in het mistige moeras der moederschoot van Ploppens liet spelevaren, dan kon ik de rest van mijn zo zorgvuldig opgebouwde carrière als meesterbroekschraper wel vergeten. De werklui, hypocriet als ze waren met hun diep penetrerende opvoeding hunner kroost, zouden zonder enige aarzeling andere broekschrapers consulteren die, hoewel werktuiglijk zowel als fysiek minder geoutilleerd, rein van blazoen schenen.

Een dilemma dus, en ik moest het dra oplossen wilde ik niet ondergaan in roemloze smet. Gesterkt door dit toch kloeke besluit spoedde ik me uit mijn immens bevlekte sponde waarbij ik vergat dat ik met de polsen nog zat vastgebonden aan de hoofdeindespijlen. De rommel die dat gaf bracht me weer enigszins in het hier en nu, alsmede bij mijn positieven, en na een en ander te hebben opgeruimd toog ik drie uur later naar de plaatselijke huishoudwinkel. Ik had namelijk benevens mijn genomen besluit ook een plan. En – hoewel rudimentair van opzet – voor het eerst sinds de aanvang van mijn benedenlangse ontvelling, gevoelde ik weer eens vertrouwen. In mijzelve, het leven en de voorbeschikkelijkheid zoals die een brave broeder soms ten deel kan vallen. Ik zag het weer zitten, zoals de jeugdigen – toch ook alweer vijftig jaar of ouder – onder ons het noemen.

Aldus opgewekt en van geestrijk hormonaal stemmingsmateriaal voorzien, betrad ik de christelijke  huishoudwinkel Kaft en Koren, alwaar een klaaglijk geklingel ener aftandse bel – die beslist een stofdoek behoefde – mijn komst aankondigde. Ik keek de zaak rond en nam waar dat de ruimte een onecht optimisme ademde. Het flinterdun membraam van fatsoen, vroom gespannen over het gedrocht van verwringing en onderdrukking; hen die het woord aan anderen opdringen zo eigen. Enigszins geagiteerd liet ik mijn blik langs het schap met braadsleeën, schuimspanen en ander godsvruchtig keukengerij glijden.

“Goedemiddag meneer,” klonk het scherp achter me. Ik draaide me om en keek naar de eigenares van de stem. Ze had daar al die tijd al gestaan, doodstil en in haar immense grijsheid opgaand in de achtergrond van planken en keukerij. Gereformeerd of socialist, schoot het door mijn moede hoofd. Haar bril en kapsel waren te strak, te stijf, te gereformeerd. Haar minzame glimlach vaandelde echter socialisme. Met een korte blik langs touw en pij vervaagde de glimlach enigszins doch hield uiteindelijk stand; waarbij ik een weinig krachtsinspanning harerzijds vermoedde. Ik twijfelde nog, toen ze zei: “Wat een mooie dag heeft de Heere ons geschonken, vindt u niet?”

Gereformeerd dus.

“Inderdaad,” antwoordde ik. “Het is mooi weder, al schijnt er enige bewolking te worden verwacht tegen het avonduur.” Daarmee hadden we de sociaal wenselijke introductie wel gehad.

“Waarmee kan ik u helpen?”

“Ik ben op zoek naar een goed schilmes,” zeide ik. “Niet zo’n plastic geval maar een degelijk, met houten heft en geklonken doorn aan het lemmet.” Het deed mij plezier haar blik van minzaam beleefd naar licht behoedzaam te zien veranderen.
“En geen al te hard staal,” vervolgde ik. “Ik wil het kunnen wetten en aanzetten.”

“Meneer weet waarover hij praat,” zalfde ze. “Dat is kennis die de doorsnee mens niet bezit, vandaag de dag.”

Aha: de doorsnee mens die, anders dan uitverkorenen zoals vrouw Huishoudwinkel, in onwetendheid en onkunde moest opzien tegen de verfijnde weldenkendheid van hen die zich boven het plebs verhieven. De doorsnee mens, die moest worden gereguleerd, gecontroleerd en – vooral – opgevoed.

Toch een socialist dus, zo bleek.

Zonder verder nog iets te zeggen trippelde ze met kleine pasjes naar achteren, waar ongetwijfeld de artikelen werden bewaard die gewone stervelingen nooit onder ogen kregen. Haar houding verried dat ze zichzelf voortdurend onder controle hield en aan de manier waarop ze haar smalle billetjes samenkneep ontleende ik een vermoeden dat ze meer profijt van het lopen had dan de beweging alleen.

Het jongste lid van mijn amusementsvereniging roerde zich een weinig bij deze gedachte en ik was verbijsterd over mijn belangstelling voor de andere kunne, die sinds kort letterlijk en figuurlijk de kop opstak.

“Nu niet,” fluisterde ik mijn onderbroeder toe, maar hij trok er zich weinig van aan, de ondeugd. Socialist, gereformeerd, weduwe of iets anders: mijn nauw verholen groeikapitaal maakte geen onderscheid en stak onverveerd de kop op bij het minste of geringste teken van humiditeit of het vermoeden daaromtrent.
Vrouw Huishoudwinkel keerde met rasse schreden terug; in haar hand hield zij met zekere eerbied een klein kistje vast, dat zij op de toonbank zette. Alvorens het deksel te lichten, keek ze mij even schalks aan.

“Niet veel mensen krijgen dit te zien,” zei ze, op een toon die een sfeer opriep als toonde ze mij het binnenste van haar ongetwijfeld goed ingepakte Primula Vulgaris, en wat mij mezelve deed afvragen hoe lang haar sleutelbloem al stengelloos was geweest.
In het kistje lagen netjes op een rij vijf schilmesjes, allen van eender formaat. De gereformeerde socialiste pakte een van de mesjes uit het kistje en liet geraffineerd het weinige zonlicht dat naar binnen piepte schitteren op het blanke staal van het lemmet. De trefzekerheid waarmee een en ander geschiedde deed mij vermoeden dat zij dit meermaals had geoefend, voor die ene bijzondere dag op welke een klant met kennis van zaken zou binnentreden, hetgeen zojuist had plaatsgevonden. Ik wist nu welhaast zeker dat ze het niet droog had gehouden bij deze gedachte en even meende ik een vleug zacht-muffige mosgeur te ruiken, hetgeen ik hoofdschuddend toeschreef aan mijn overspannen verbeelding.

“Is het geen juweel?” kirde ze.

Het was een goed mes, dat mocht gezegd. Het vakmanschap straalde van lemmet, heft en doorn af, alsmede van de klinknagels die zorgvuldig waren aangebracht. Maar een juweel? Neen.
Ik zal u – moedige lezer en lezerin – de details besparen van het verdere verloop van de aankoop zowel als wat daarna in het zurig ruikend magazijn van de huishoudwinkel plaatshad, en wil volstaan met te vermelden dat mijn inmiddels niet meer zo kloeke kameraad nog meer schrijnde dan voorheen, toen ik dan tegen de schemering eindelijk de winkel met enigszins wijdbeense wankel verliet; in het bezit van het zo vakkundig vervaardigde schilmes en een navenant deel schaamte.
Dit gedeelte van mijn plan echter, was naar mijn mening geslaagd. De huishoudwinkelvrouwe, die haar reeds lang onbevaren geul zo gretig had geopend voor mijn toch al zo gehavende beukentwijg, zou zich hoe dan ook herinneren op welke wijze wij nader tot elkaar waren gekomen, en opnieuw waren gekomen. En dat was precies volgens plan. Met enige druk, uitgeoefend door de sterke arm der wet, zou zij doorslaan en mij in een kwaad daglicht stellen; Zij was immers gereformeerd èn socialist.  De voorhuidse schrijning die mij ten deel viel tijdens en vooral na zulks, getuigde van mijn inzet en diende het goede doel. Niet dat ik er rechter van liep overigens, maar dat terzijde.

Toen moest ik de rest van mijn plan uitvoeren en wel schielijk, daar ik na het huishoudwinkelijk intermezzo met het messenmens nog hooguit twee weduwezittingen kon verdragen.

Hooguit.

Ik toog op weg; toch een weinig ongerust…

Binnenkort het bitterzoete slot.

6 responses

  1. Dank u, lieve lezerkens. Ik kan u wel vertellen dat ik de pij herhaaldelijk heb benat bij het vernemen van uw welwillende terugkoppeling. Het geeft uw auteur de kracht ootmoedig voort te pennen, ge begrijpt zulks wel.

  2. Fraai Jaap. Je bent weer terug met je bruine pij.
    De lezer zij gewaarschuwd voor de vervolgvertellingen, speciaal het oude zeikwijf die nog zal blozen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *