Paap en de weduwe Ploppens (2)

Wat vooraf ging:
Op weg naar de klanten van zijn broekschraapwerk loopt De Paap langs het huis van weduwe Ploppens en hoort daar een jammerlijk geweeklaag. Zijns ondanks besluit Jaap binnen een kijkje te nemen om te vernemen of hij de weduwe wellicht van dienst kan zijn. Eenmaal binnen in weeuwkes huis krijgt hij de schrik van zijn leven…

De weduwe Ploppens lag in een voor dorpsgebruiken zeer onzedelijke houding: de knieën wijd uiteen, waardoor ik ruim zicht had op haar welig tierende bosschage. De ongetwijfeld ongenode schelm die haar te pakken had gehad, was niet verschoond geweest van een lage vuigheid, zo te zien. De weduwe, wier ogen stijf gesloten waren, had één harer handen diep in het woud van onzede begraven – waarschijnlijk leed zij hevige pijnen daar. Mijn geslacht verhief zich in heftig verzet tegen zoveel onrecht, deze onschuldige vrouwe aangedaan. Maar daar kon ik mij natuurlijk op dat moment niet mee bezighouden. Eerste hulp moest er worden verleend, en wel snel. Het feit dat er geen bloed zichtbaar was hoefde niet te betekenen dat er tevens geen letsel, in- danwel uitwendig, bestond en ik stond in tweestrijd wat op dat moment de grootste prioriteit had: de goede weduwe toedekken en aldus haar zedelijkheid bewaren voor als er eventueel externe hulp van node mocht blijken of proberen haar zachtkens doch accuraat bij te brengen. Ik besloot tot het laatste: toedekken kon altijd nog en ik had immers mijn celibaat om mezelf, en niet in de laatste plaats de weduwe te beschermen. Aldus wederom moed vattend rukte ik met uiterste krachtsinspanning mijn blik los van haar handelijk bedekte sprookjeshof en knielde naast de nog immer luid kreunende weduwe. Ze maakte licht stuiptrekkende bewegingen dus niet langer gedraald.“Weduwe Ploppens?” zei ik zacht. De goede vrouw kreunde een weinig luider nu, en ik vermoedde dat ze me op een onbewust niveau wellicht kon horen. Terwijl ik dit bedacht, versnelde haar adem in vlug tempo en sloeg zij vlak daarop een geluid uit dat het midden hield tussen het in doodsnood loeien van een gewond edelhert en het slecht starten van een dieselmotor. Ik deinsde geschrokken achteruit: ze zou hier toch niet onder mijn ogen sterven?
“Vrouwe Ploppens!” zei ik nu luider. Haar ogen vlogen open en even leek het alsof ze dwars door me heen keek. Toen kleurden haar wangen rood en begon ze te spreken.
“Broeder Paap?” vroeg ze. “Hoe lang bent u hier reeds?”
“Een minuut of twee, hooguit,” zei ik. “Ik hoorde u kreunen en vermoedde daarom dat u in nood verkeerde. Is alles wel met u? Wie was de boosdoener; hebt u hem kunnen herkennen zodat we een signalement aan de veldwachter kunnen doorgeven?” In mijn paniek ratelde ik de vragen achter elkaar in hoog tempo af.
Ze staarde me met open mond aan, keek naar haar schoot waarin haar hand nog knussig het gebladerte bedekte en toen weer naar mij. Toen kwam ze overeind en het viel me op hoe prachtig haar borsten van onder haar okselen terugrolden over haar navel. Ik had op dat moment niet de tegenwoordigheid van geest me te verbazen over het feit dat haar boezem, gelijk haar speeltuin,  tevens geheel was ontbloot. Terwijl de naakte weduwe Ploppens rechtop ging zitten, schikte ze met haar vrije hand haar kapsel en keek me toen opnieuw aan. Een vaag lachje speelde om haar lippen.
“Wel wel, broeder Paap,” zei ze. “Wie had dat gedacht: u die een eenzame weduwvrouw in nood komt helpen. En ja: ge kunt zeker over een bepaalde nood spreken in dezen.”
Zoals ik haar hoorde spreken en aan haar gelaatsuitdrukking te zien was vrouw Ploppen niet bijster onder de indruk van wat het dan ook was wat haar was overkomen. Haar lichte glimlach en haar fonkelende ogen verwarden mij; het leek zo misplaatst…
“Maar wat is er precies gebeurd, weduwe Ploppens?” vroeg ik. “En kan ik u op een of andere wijze wellicht van dienst zijn ergens mee?”
“Nou,” begon de weduwe, die nog steeds geen aanstalten maakte haar paradijselijkheid te bedekken en mij onverveerd aankeek. “Dat valt te zeggen, beste broeder. Om op uw eerste vraag te antwoorden kan ik u vertellen dat het mij plotsklaps overviel en ik daar geheel machteloos tegenover stond; ik kon geen weerstand bieden.”
“Aha,” zei ik. “Gaat u alstublieft verder.”
“Zo meteen, Paap, zo meteen. Om op uw tweede vraag te antwoorden: ja wis kunt ge me van dienst zijn en wel direct.”
In gedachten zag ik mijzelve druk doende met glaasjes water, koele lappen en eventueel een kleine spirituele versnapering – de woensdag ten spijt. Dit bleek echter wederom een misvatting, hetwelk ik snel inzag toen de blote weduwe haar hand onder mijn gewaad stak en zonder enige aarzeling mijn van de weeromstuit gezwollen onderman stevig omvatte, hetgeen een weinig werd vergemakkelijkt door mijn jarenlange ervaring met de werkmansbroeken en de daarin zo robuust klevende residuen en mijn daaruit voortvloeiende en enige tijd geleden genomen besluit om geen extra belastende broeken onder mijn gewaad te dragen.
Voeg daarbij het jarenlange celibaat waarmee ik mijzelve telkens kwelde en dat immer mislukte, en ge kunt wel nagaan, beste lezerinnen en lezers, dat het zo daadkrachtig en toch teder hanteren mijner giek tot gevolg had dat het zich daaronder verzamelde levenselixer zich in gezwinde spoed de schuin oplopende weg naar verlossing baande. Er kwam geen einde aan en ik wist niet waar ik het zoeken moest, het leek wel uitverkoop; zoveel doneerde ik aan de hand van de ongekend vaardig blijkende weduwe.
“Ik wil hiervoor wel graag mijn excuses aanbieden,” stamelde ik, nadat het spetterend geweld was afgenomen. “Uiteraard wilde ik heel geen misbruik maken van de precaire situatie waarin u …”
“Wees maar stil, Paap,” zei Ploppens. “Het is immers niet geheel uw verantwoordelijkheid, daar ik mij in de daarnet ontstane opwinding toch ook vergreep aan uw sabel.”
Daar had vrouw Ploppens wel gelijk in, en enigszins gerustgesteld stelde ik vast dat mijn trouwe vrind, mijn minne broeder, in het geheel geen teken van verslagenheid vertoonde en geenszins de kop liet hangen. Maar hoe nu verder? Ik wist van hoed noch rand, om van naadkousen maar te zwijgen. De ervaringen die ik ooit had waren altijd gevoed door wat zich geheel onwillekeurig langs mijn geestesoog voerde, en die betroffen tot op heden nooit leden van de vrouwelijke kunne; wat mij nog verraster maakte dan ik al was.
In de tussentijd was de wilde weduwe begonnen met het stevig karnen mijner zaadstengel en gevoelde ik het volgende getij reeds stroomopwaarts spoeden. Met een vloeiende beweging ontdeed Ploppens mij van touw en pij en trok me bovenop zich.
“Maar vrouw Ploppens,” begon ik; geheel tegen mijn onderwil in. Het bleek overigens nutteloos om tegen te spartelen. Ploppens had er aardig de vaart in en legde een naar augurken riekende vinger op mijn lippen.
“Stil maar,” lispelde ze. “En het is Gurpke. Vrouw Ploppens klinkt zo officieel, vind je niet?”
“Zegt u dan maar Jaap, Gurpke,” mompelde ik, terwijl het woelende weeuwke mijn inmiddels hevig pulserende jongen van Jan de Wit moeiteloos in haar tempel van vrijetijdsbesteding leidde, alwaar hem een waterig en warm welkom wachtte.
Ik zal verder niet in detail treden over hetgeen er die woensdagmiddag nog meer afspeelde op de vloer van de huiskamer in het knusse huisje van Gurpke Ploppens, maar volstaan met te vertellen dat ik die dag niet meer ben toegekomen aan het afleveren der zo vakkundig door mij geschraapte broeken. Benevens dat geringe verzuim ben ik sedertdien overgeleverd aan de grillen van de weduwe Ploppens. Overdag, wanneer onze paden zich toevallig kruisen bij hetzij de kruidenier, hetzij de visverkoper, knikt ze mij koeltjes toe en doet verder alsof ze mij niet kent.
Maar des avonds, wanneer het werkvolk aan de rijk voorziene dis van met bruine appelen gevulde mollenmagen – een zeer gewild gerecht te onzer domicilie – plaatsneemt, glipt zij ongezien binnen in mijn nederige stulp, vergrendelt de deur achter zich en ontbroekt zich nog voordat de afstand van hal naar mijn slaapkamer is afgelegd. En daar neemt ze mij immer vaardig ter hand, doet menig mondeling tentamen en sluit dit af met op zijn minst een zesvoudige copulatie, waarna ze net zo stil verdwijnt als ze is gearriveerd.
En ik ben er verward over, beste lezers en lezeressen; dat moogt ge weten. Ik kan niet wennen aan dat pretpark, die speelplaats van lust waarop en –in ik mijn ongeroutineerde speleologie bedrijf, immer aangemoedigd door het grommend geknor van Gurpke Ploppens die, zo heeft ze me meermalen verzekerd, het hele dorp van mijn geveinsde celibaat zal verwittigen, mocht de gelegenheid zich ooit voordoen dat ik haar zou weigeren.
Ik ben dus wel wijzer dan haar te weigeren, en voldoe aan al haar verzoeken die steeds buitensporiger worden, om maar mijn imago van brave broeder intact te houden.
Maar het doet pijn; fysiek zowel als mentaal. Ik weet niet hoe lang mijn zenuwen dit nog aankunnen en hoe veel mijn schaamtig gehavend rondhout nog kan verdragen.
Tot voor kort was het leven zo eenvoudig. Ik schraapte broek dat het een aard had, viel niemand lastig en beging geen andere zonden dan in mijn verbeelding, waar voortvarende mannenbroeders altijd mijn heft in handen namen maar nooit vrouwen. Hoe diep kan een man, een broeder zinken? U hebt het hier gelezen en ik reken op uw discretie.
Mocht u mij tegenkomen, dan herkent u mij gewis aan mijn inmiddels gekromde gang en gekweld gelaat. De pijn is nauwelijks nog te verdragen en het zal dan ook een kwestie van tijd zijn voordat het dorp op de hoogte is van mijn semenlijke feestelijkheden met de weduwe Gurpke Ploppens.
Tenzij de weduwe het tijdelijke voor het eeuwige verruilt, voordien…

Wordt vervolgd.

3 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *