Paap en de weduwe Ploppens (1)

Hoeveel schande kan een man verdragen alvorens hij breekt, voorbij de mogelijkheid tot het doen van boete, in bitterlijke smart? Waar bevindt zich het laagste peil van verdraaglijkheid? Het zijn vragen die uw schrijver op dit moment niet alleen bezighouden doch tevens node kwellen. En de enige mogelijkheid om verlost te geraken van de diepe vernedering en de daarbij allengs zwaarder wegende lust naar een liefst pijnloze beëindiging van het door mij als miserabel ervaren bestaan, is mijns inziens gelegen in het te enen male proper luchten van mijn gehavend hart. De historie hier opgeschreven dient dan ook slechts als smadelijk biechten; niet als iets wat zomaar voor aller ogen te grabbel wordt gegooid. Ik vertrouw dan ook op u, trouwe lezer en lezerin, en op uw discretie. U wilt wel zo goed zijn dit onder ons te houden of de gevolgen te dragen indien u alsnog loslippig mocht blijken.  Onder deze – en alleen deze – voorwaarde wil ik u deelgenoot maken van de omstandigheden waarin ik verkeer en die mij zo genadeloos hebben geraakt dat pijnloos urineren er voorlopig niet van komen zal.

Het was in de namiddag van een warme woensdag in mei dat ik op weg toog om enig voltooid werk bij verschillende afnemers te bezorgen. Heel de maandag en dinsdag, en tevens een goed deel van de woensdag was ik doende geweest dit karwei – het broekschrapen – te voltooien en de voldoening was groot mag ik zeggen. Een goed toegeruste broekschraper dient zich weliswaar van ongepaste trots te onthouden en nimmer zijn ego te laten prevaleren bij het uitoefenen van dit zo edele doch ondergewaardeerde ambacht maar dat wil niet zeggen dat een eenmaal geklaard karwei geen voldoening mag schenken. Acht broeken droeg ik die woensdagmiddag met mij mede en met de vijftien centen per broek die ik daarmede zou beuren kwam ik op het voor een eenvoudig ambachtsman als ikzelf duizelingwekkende kapitaal van één gulden en twintig centen. Nu was vijftien centen een luttel bedrag voor het werk dat daarvoor door mij verricht werd en in de wijde omtrek werd mijn prijs dan ook als concurrerend beschouwd. Dat, gekoppeld aan het gegeven dat er in diezelfde wijde omtrek geen broekschraper te vinden was die het werk zo volhartig en consciëntieus uitvoerde als uw schrijver, maakte mij een gewild schraper. Het was immers geen sinecure de rijk bevlekte werkmansbroeken te ontdoen van soms wekenlang uitgeharde residuen. Natuurlijk: goed werkmanstuig is het halve werk en ik verkeerde in het bezit van goed materiaal als schrapers, priemen en rasptuig, met als pronkstuk een verzilverde guts die – mits in vaardige handen – zelfs de meest hardnekkige droogsels wist los te krijgen, zodat werkelijk alles wat de eerlijk zwoegende werkman gedurende de arbeidsuren zoal pardoes verloor aan lichaamsinhoud (zij het door krachtige inspanning volgend op een te copuleus maal de vorige avond en gepaard gaand met een te weinig geoefende sluitspier, danwel door onzedige gedachten aan hen, wier plaats gewoonlijk buiten de echt te vinden was) kundig werd losgewerkt en verwijderd. Eerlijk handwerk dus en weliswaar geen reden tot zelfgenoegzaamheid maar desondanks zeer vervullend.
Op die meimiddag dan, nog voor het afleveren der geschraapte broeken en het in ruil daarvoor ontvangen mijner gage, kwam ik zoals altijd langs het huisje van de weduwe Ploppens. Deze weduwe nu, had in onze gezapige woonplaats immer aanleiding gegeven tot roddels, en soms zelfs ook achterklap. Ik had op dat moment werkelijk geen notie van het waarheidsgehalte dezer verhalen, veelal verteld door hen die na gedane arbeid de nodige spiritualiën tot zich namen en dan tot stemmige vertelsels kwamen. Er wordt wel eens gezegd dat kinderen en dronken mensen de waarheid spreken maar, zoals gezegd, ik wist niet of de verhalen al dan niet op waarheid berustten. Hierover peinzend passeerde ik het verweerde tuinhekje van weduwe Ploppens’ huis toen ik een zacht geluid hoorde dat ik aanvankelijk niet kon thuisbrengen maar dat een gevoel van urgentie teweegbracht. Ik hield mijn pas in en bleef een wijle staan luisteren. Na een paar tellen klonk opnieuw het geluid: luider nu, en uit de toon was een diepe en treurige klaaglijkheid te putten, wat ik dan ook deed. Wellicht was de weduwe Ploppens in nood, bedacht ik, en zou ik het mezelf achteraf kwalijk nemen indien ik mij niet tenminste verwittigd had van de situatie aldus. Ik zag de gezichten van mijn mededorpers al voor me: de wenkbrauwen zwaar gefronst over de gegroefde koppen – glad vergetend wie immer hun ruwe werkmansbroeken zo prachtig schoon had gekregen; elke maand opnieuw. Nee, daar zouden ze niet opkomen met hun gedachten – deze opportunisten die overdag weliswaar eerlijke arbeid verrichtten, teneinde vrouw en kinderen te voorzien van in elk geval de meest fundamentele levensbenodigdheden – de rest werd grof vergokt en verzopen, alsof de duivel hen op de hielen zat (en wellicht was dat ook het geval), maar die des avonds, als de jongeren naar hun stede waren gestuurd en het tijd werd voor de nachtelijke ontbroeking, hun lust voedden met gedachten die zo ongeveer overal over gingen, behalve over hun eega zelve. Sommigen draaiden er zelfs hun nek niet voor om ook enige vuige gedachten te wijden aan het vrouwelijk nakomenschap dat veelal slechts een bedstede verder lag te slapen of zich anderszins bezig te houden.
Ja, leerde mij ze kennen, deze zogenaamd brave huisvaders. Laat ik hier overigens mezelf niet heiliger voordoen dan ik ben en toegeven dat ook ik wel eens gedachten aan bedenkelijke bezigheden buiten mijn eigen stulp had gewijd; ware het dan niet aan de vrouwen en dochters van deze hypocrieten maar aan henzelf. Mijn celibataire gelofte ten spijt, ik kon het niet helpen dat in mijn dromen de ruwe werkmanshanden me corrigerend aanpakten waarna, als ik zo goed als gebroken was, het onhandige troosten begon. Dit troosten nu, bracht mij telkens opnieuw en soms meermaals in een onrustige nacht tot het schokkend tenietdoen van mijn gelofte. Aldus plakkerig en bezweet ontwaakt had ik elke ochtend opnieuw spijt en schaamde ik me – wat mij er niet van weerhield toch even aan alle werkmansbroeken die ik op dat moment onder handen had vanwege het schraapwerk, te ruiken. Op zich een beschamende bezigheid wellicht, ware het niet dat ik het voor mezelf nog kon verkopen als zijnde een noodzakelijke handeling, behorende bij mijn arbeid en onmisbaar voor het blijvend concurreren met de overige broekschrapers in de omgeving, die immers zoals gezegd nog veel duurder waren ook.
Inmiddels klonk het geweeklaag uit het huisje van de weduwe Ploppens nog luider en ik besloot dat ik mijn tijd niet langer kon verdoen met het gemijmer over de werkmannen en wat die allemaal met hun diepbekloofde handen vermochten. Resoluut opende ik het tuinhekje naar het pad en stapte op de voordeur van het huisje af. Het gekerm was nu meer dan duidelijk te horen en ik vermoedde dat de zaak daarbinnen zelfs ernstiger zou blijken dan ik aanvankelijk in mijn onwetendheid had ingeschat. Dit vermoeden nu, zou achteraf juist blijken; zij het op geheel andere wijze dan ik mij op dat moment nog voorstelde. Maar goed, dat wist ik nog niet natuurlijk en dan kon ik ook niet weten. Dus wellicht wilt u niet teveel op de zaken vooruit lopen en me in een voor een duidelijk verslag gewenst tempo laten verder vertellen, zodat ik mij niet voortdurend opgejaagd hoef te weten door u, lezer en lezerin, die natuurlijk direct het naadje van de kous wilt weten en liefst zo snel mogelijk. Nou, u oefent maar even geduld, ja? Dank u.
Daar ik naar mijn mening op dat moment al genoeg tijd had verdaan met het mijmeren over dit en dat, en over zus en zo, gevoelde ik enige urgentie de weduwe te hulp te schieten; waarmee dan ook, en aangezien de deur aanstond verzaakte ik te kloppen en betrad eerder angstig dan moedig het knusse huisje van het weeuwke. In de kleine hal gestaan, richtte ik mij zo goed mogelijk in de richting van waaruit ik het kermende klagen hoorde en verzamelde mijn geringe moed om het vertrek te betreden waar ongetwijfeld het onheil plaatshad. Ook de deur van dat vertrek stond aan en het gekerm was nu duidelijk te horen. Omzichtig keek ik om me heen, trachtend een stomp voorwerp te ontdekken om dit mede te kunnen nemen als ik naar binnen ging: voor hetzelfde geld immers was de onverlaat die vrouw Ploppens had beroofd of anderszins belaagd nog aanwezig. Een schemerlamp op een hoektafeltje was het enige dat enigszins in de buurt van een handwapen kwam, dus ontdeed ik die omzichtig en zo geruisloos mogelijk van de kap – die overigens verrassend gemakkelijk losliet – en trok de stekker uit de contactdoos.
Aldus gewapend betrad ik de ruimte van waaruit ik het gekreun hoorde en trof daar de weduwe Ploppens aan, liggend op de vloer. Mijn ontzetting golfde hevig door me heen. Welke bandiet dit ook had gedaan: hij had er flink werk van gemaakt, dat mocht gezegd. Het schouwspel bracht naast mijn ontzetting ook een zeer slecht getimede en onwelkome benedenlangse verharding met zich mede. Ik had werkelijk geen flauwe notie vanwaar deze drang des bloede zo pardoes vandaan kwam en ik kon me er ook niet al te zeer mee verpozen, daar de weduwe Ploppens zo te zien dringend mijn hulp van node was.
Het was een beroerd tafereel om te aanschouwen, beste lezers en lezeressekens; en ik zal u dra verhalen hoe een en ander afliep. Daarvoor zult u enig geduld willen oefenen en mij wel toestaan hier spoedig op terug te komen?

Wordt vervolgd.

4 responses

  1. Dank, Zeikwijf, voor zulks. Het wordt me klam te moede als ik denk aan wat nog volgt. Het moet verslagen en rondgezongen echter, ge begrijpt dat wel.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *