Het woud der verdoolde zielen (4, slot)

Wat vooraf ging:

De respectieve echtgenotes zijn minder verheugd over de herwonnen vleselijkheid dan de vrienden zelf, en een en ander leidt al snel tot huiselijke spanningen. De mannen komen fysiek zowel als mentaal in de knel; zij moeten op zoek naar een oplossing. Naast de emotionele wissel die de nimfelijke zegen op het huwelijk trekt, is er het fysieke ongemak dat de tot voorheen slechts sporadisch benutte voormansinstrumenten teistert. Er moet een oplossing komen en snel ook. Zullen onze vrienden verlichting vinden van deze beproeving?

“Weg?” snauwde Maartje. “Hoezo weg?” Ik had haar zojuist verwittigd van het plan dat mijn vier kameraden en ik hadden opgevat, om terug te keren naar de heilige plek in het bos teneinde de bosnimf te ontmoeten en haar te vragen deze beproeving van ons af te laten. Er waren dagen verstreken en ons leed werd vergroot bij elk uur.

“Gewoon weg,” zei ik, denkend aan mijn vrinden die nu wellicht dezelfde strijd moesten voeren te hunner huize. “Je hebt gemerkt dat ik veranderd ben en, al heeft het zijn voordelen, ik merk dat het niet is vol te houden zo.” Ik keek mijn vrouw doordringend aan en zij keek zuur terug.

“Mijn vrinden en ik zijn op een Weg gezet vanwaar hopelijk nog terugkeer mogelijk blijkt,” ging ik verder. “Het is die Weg – met een hoofdletter – die wij niet willen gaan. Wij hopen deshalve in het woud een terugkeer op deze schreden te vinden.”

“Een Weg met hoofdletter,” schamperde mijn gemalin. “Zoals in ‘ik ben de weg, wie mij volgt die…”

“Laat maar,” zei ik. “Ge zult het nooit kunnen voelen zoals ik het voel. Het gaat om De Weg, zoals er meerdere Weegen zijn. Ik ga, en ge houdt me niet tegen. Maar ik keer terug; dat beloof ik plechtig.”

Maartje bleef mopperen en haalde telkenmale mijn uitspraak over “Meerdere Weegen” aan. Het leek wel of ze me moedwillig wilde raken.

Aan de andere kant: wat wist Maartje van Weegen?

Eindelijk konden wij dan vertrekken, deze keer met door onszelf klaargemaakt proviand; wat een verademing was in vergelijking met wat we anders zouden hebben meegekregen. Het rulle wit van bakker Knedens, overvloedig belegd met lillend geil vetspek, alsmede enige goed afgestopte kruiken donker bier en een paar hompen overrijpe kaas. Wij konden de schaft nauwelijk afwachten.

In een fractie van de gebruikelijke tijd bereikten wij de eerder betreden plek in het bos, waarbij Carel het de hele weg droog hield. Een weinig hoopvol en enigszins bedrukt zetten wij ons neder op de gewijde grond en wachtten zwijgend op wat komen ging. Na drie uren vergeefs zitten stelde ik voor om net als de vorige keer een ruk-in-de-kring te houden, daar dat volgens mij het teken was dat de nimf opriep. Gelaten kwijtten wij ons van deze taak. We hadden een schamele balans weten te vinden tussen het schrijnen der afhangende voorhuiden en de nimmer wijkende lust, hetgeen enige handigheid vergde. Nadat wij aldus ons moede elixer aan het mos hadden geschonken, klonk er een zuchtend gemopper in de verte. Het geleek in de verste verte niet op het spektakel van eerder: de grond bleef stil, niets hield zijn of haar adem in, er was slechts dat gemompel dat allengs luider werd. Uit de bosschages stapte een onooglijk oud wijf, wier kaneelzoete ontbindingsgeur ons nog voor haar fysiek bereikte.

“Wat moet ge hier?” vroeg ze. “Is het dan niet genoeg geweest? Ik heb uw sapstromen versterkt. Waarom zijt ge nog niet op queeste?”

Wij staarden het oude lijk verbluft aan. Het kon niet anders dan dat zij de bosnimf was in een andere gedaante, maar wij kregen het in onze geesten niet geplaatst. De verschrompeling sloeg genadeloos toe in onze lendenen waar elke lust was geblust. In wezen was dat een zegen, gezien de schrijnende en immer voortdurende pijn. Het maakte ons echter niet minder ongerust. Wat als we met deze verschijning…

Het kadaver maakte alras een eind aan deze overpeinzing door haar vettige kledij een weinig op te schorten, haar knokige knieën te spreiden en zich met knetterend gekraak te ontlasten; het dampende resultaat harer inspanning direct daarop geïnteresseerd bestuderend. De ontmoedigende gedachte dat zij kennelijk verstoken was van directoire danwel ander ondergoed bekroop me onafwendbaar. Daarbij was het raadplegen der ontlasting – ook wel drukschouw genaamd – een verdwijnende kunst in die dagen, welk inzicht mijn vermoeden rond haar leeftijd nog versterkte.

“Hmm,” zei ze. “Er is iets vreemds gaande. Ge zijt ingewijd, jazeker, maar ik zie hier de tekenen in mijn excrementen dat het een per abuis genomen besluit betreft. Zijt ge de vorige keer anderen tegengekomen in het woud? Eveneens in tal van vijf?”

Wij schudden bedremmeld onze hoofden, niet tot spreken in staat: deels door de overweldigende geur van het orakel dat de oude heks daar had neergelegd en deels ook door het verwerken der schande onzer voorheen zo bevredigde lusten in wat nu een rot kreng bleek te zijn maar die wij als verblindende schoonheid hadden aanschouwd. Het kon verkeren en dat deed het dan ook. Wij haalden ons de vorige tocht voor de geest maar konden ons geen vijftal herinneren buiten onszelf.

De heks roerde met een hand in haar bruingroene endelproduct, zoog aan haar versbesmeurde vinger en dacht na. Toen barstte ze in een reutelende lach uit, of althans wat daarvoor moest doorgaan. Het schonkige lijf schokte en beefde terwijl ze slijm opgaf en dit achteloos in onze richting flatste, waar het mij op een haar na miste doch in Carels haar bleef hangen. Hij was te bang om te huiveren, leek het wel, en wij staarden hem meewarig aan terwijl wij ons gelukkig prezen aan de flats ontsnapt te zijn. Het geluk zou echter van korte duur blijken; de heks kwam tot een besluit.

“Ge hebt enerverende dagen beleefd, als ik het wel heb,” kakelde ze. “Uw gemangelde twijgen zullen u reeds tot pijnlijke last zijn, is het niet?” Wij knikten. Theodoor, altijd al de lafste van ons, geviel op zijn knieën en begon te schreien. Wij wendden beschaamd onze blikken af.

“Ach, goede vrouw,” snikte hij. “Verlost u mijn vrinden en mij toch alstublieft van deze last. Wij voelen ons weliswaar jonger en vitaler dan ooit, en de hernieuwde latverstijving was aanvankelijk een zegen. Maar ik zou met alle genoegen mijn oude last en kwalen weer dragen als ik hiervan verlost zou zijn.”

Het oude wijf bekeek hem met een minachtende blik en richtte zich toen tot ons.

“En gij?” vroeg ze. “Denkt ge er net zo over als uw zompige metgezel hier?” Wij knikten. Hoe zielig de smeekbede van Theodoor ook was: hij verwoordde wat ons zwaar op het hart lag. Ik zou inderdaad graag mijn jicht terugkrijgen als ik van deze dwangmatige sapdrang verlost kon worden.

“Goed dan,” sprak de vrouw met haar trollesque voorkomen. “Ik zal u verlossen, maar ik vraag een prijs. Een bescheiden prijs weliswaar, maar toch.” Ze smakte met haar dunne lippen, alwaar een dun lapje bruinig vlees bij wijze van tong van tussen tevoorschijn flitste, en ik vreesde het ergste. Welke vrees direct daarop bewaarheid werd toen ze verder ging.

“Het komt zelden voor dat de omstandigheden samenlopen zoals ze nu doen. Een vijftal is aan zijn queeste ontsnapt en gij zijt per abuis geronseld voor die opdracht, die ge van uw levensdagen niet zoude kunnen volvoeren. Maar niet gevreesd: ge zult opnieuw uw liefdesdaad aan mij offeren,” lispelde ze. “Alle vijf. En indien ge u naar mijn tevredenheid van deze taak kwijt, zal ik de vloek en zegen van u aflaten. Denkt u er maar even over na terwijl ik me klaarmaak. Het aanbod is heden en eenmalig.” Ze verdween tussen de bosjes. Wij bleven bedrukt achter. Na enige tijd begonnen we te overleggen. Allen hoopten wij dat ze terug zou komen als de aantrekkelijke nimf, maar het leek ons teveel gewenst. Na wat heen en weer gepraat nam ik een besluit.

“Ik sluit mijn ogen, denk aan iets moois en doe het gewoon,” zei ik; moediger dan ik me gevoelde. “Het is voor slechts één maal en ik zal het zo snel mogelijk proberen te vergeten.” Uiteindelijk kwamen we tot de conclusie dat dit de enige manier was om niet de rest van ons waarschijnlijk nog lange leven met een versteend kruis te doorbrengen. Dan maar eerder dood, klachten en impotentie, besloten we.
Aldus gesterkt vleiden wij ons rond de zojuist neergelegde en snel in warmte afnemende heksenhoop, aan wier geur wij zelfs al een weinig gewoon begonnen te raken, en wachtten.

Inderdaad bleek onze wens om nogmaals de schoonste der nimfen te bestijgen geheel ongegrond. Uit de bosjes strompelde het oude corpus; nu geheel ontkleed. Ik moest me tot het uiterste bedwingen om niet krijsend het woud in te vluchten, mijn harde lot tegemoet en de kans op verlichting verspelend. Aan de bleek weggetrokken gelaten mijner vrinden zag ik dat zij min of meer hetzelfde ervoeren als ik.

Had ik gedacht het mijne wel aan rimpels aanschouwd te hebben in het leven, deze gedachte werd moeiteloos versplinterd bij het zien van dit gedrocht. Gelijk gebarsten leder schrompelde haar vel om de hoekige beenderstructuren. De lange repen suède die ter laagte van haar enkels reikten, wapperden zachtkens in de milde voorjaarsbries en trilden van onuitgesproken verwachting. Met een schok besefte ik dat dit haar boezem betrof en een zurige golf baande zich een weg omhoog naar mijn slokdarm, alwaar ik deze ternauwernood kon keren. De antiperistaltiek werd echter opnieuw geactiveerd toen ik tussen deze groenbruine repen hetgeen ontwaarde wat voor haar vrouwelijkheid moest doorgaan. Ik kan niet zonder vomeringsverschijnselen alle details noemen, maar laat ik volstaan met de vermelding dat de repen vetspek waarmede onze sneden rulwit waren belegd maagdelijk fris aandeden in vergelijking met wat daar krullend van haar eeuwenoude, knoestige bekken afhing.

Dat wij gaandeweg steeds verder achteruit deinsden scheen het mens niet te deren. Met een compleet misplaatste poging op een jonge meid te gelijken hield zij haar hoofd een weinig scheef, draaide een schilferige knobbelvoet naar binnen en drukte haar knieën zedelijk tegen elkander, wat helaas niet het door ons gewenste effect had haar schaamrepen aan  het zicht te onttrekken. In plaats daarvan werd ons een volle blik vergund op wat wij zo meteen werden geacht te injecteren. Het kotsen stond ons nader dan het lachen, maar toen ze naar ons wenkte wist ik niet hoe snel ik naar voren moest rennen om als eerste aan de zo gevreesde beurt te zijn. Ik kon het maar gehad hebben, bedacht ik, en gaf Carel, die blijkelijk hetzelfde idee had en naast mij voortjakkerde, een ferme duw waardoor hij met een ijle kreet de bosjes in struikelde.

Het wijf omvatte mij met onvermoede kracht en ik kneep mijn ogen stijf dicht. Haar geur overspoelde me nu met zo’n kracht dat ik bijna een welkome bewusteloosheid onderging. Helaas zette het niet door en moest ik kokhalzend en bij vol bewustzijn het aroma van beschimmelde bospaddenstoelen, krachtige Limburgse kaas en -ter hoogte van haar bekkenstreek- ontbinding opsnuiven. Zo zeker als ik was van een weigerend lid, zo vlotjes vatte de heks mijn amusementsstaaf en wist hem tot mijn verbijstering in minder dan drie tellen in volle wapenrusting te brengen.
“Uw begeerte spreekt voor u,” spetterde ze in mijn oor. “Daar zult u geen spijt van krijgen. De eerste is degene die geluk zal treffen. Uw laffe vrinden daar, is een ander lot beschoren.” Wat dit inhield kon ik toen nog niet weten: pas later zou dat duidelijk worden. Op dat moment zette ik kracht om mijn gal binnen te houden terwijl zij -deze afstotelijke gnoom- mij behendig binnenleidde in wat ik wanhopig uit mijn geestesoog probeerde te verdrijven. Ze haakte mij pootje waardoor ik achterover viel, besteeg mij met de lenigheid van een oostblokturnster en nam mij met eenzelfde kracht. Moeiteloos zoog haar klamvochtige, broedse leempoel zich vacuüm op mijn van bezoekingen vergeven musket. Keer op keer wist zij – mijns ondanks – de sappen te onttrekken aan mijn gemarteld geslacht, tot ze mij dan eindelijk vrij liet. Bij het overeind krabbelen reikte ze mij haar hand en keek mij met onvermoede warmte aan; even dacht ik zelfs een glimp van de prachtige nimf te ontwaren.

“Ik heb u een geschenk gegeven,” fluisterde ze, en ik merkte dat haar geur mij in het geheel niet meer  afstootte. Verward constateerde ik een aantrekkingskracht waartegen ik mij heftig verzette.
“Ge zult het dra merken,” ging ze verder. “En ge moogt ervan genieten, uw lange leven lang. Aanschouw nu het begin van het verval dat uw vrinden zal treffen.” Met die woorden wierp ze mij van zich af, gelijk een vod. Ik viel struikelend tussen mijn vrinden die mij met een mengeling van afschuw en bewondering aanstaarden.

“Hoe krijg je het in vredesnaam voor elkander,” zei Theodoor. “Ik heb respect voor wat ik zojuist van je heb gezien.” De anderen knikten bevestigend. Ik zweeg: niet bij machte de woorden te herhalen die de heks mij had toegefluisterd. In stilte leed ik met deze mannen, die zo lang al mijn intiemste geheimen hadden gedeeld. Het leven was wreed, wrokkig en wrevelig en ik schreide hete tranen. De anderen weten dit waarschijnlijk aan mijn zojuist geleden beproeving en zagen met vrees hun lot tegemoet. Terecht, zo zou blijken.

Gaarne had ik nu verteld dat ook zij zich kwistig van hun taak kweten, maar dat zou de waarheid geweld aandoen. De werkelijkheid was namelijk minder mild. Een voor een brachten zij er niets van terecht, wisten nog niet het begin van een erectie te bereiken en moesten lijdzaam toezien hoe de anderen en zijzelf wreed werden bespeeld door de heks. Brakend stortten zij elk ter aarde na hun onverrichte daad, nagelachen door het oude wijf. Bespot, bespeurd en zurig riekend lagen zij daar en met een veelbetekenende blik, mij toegeworpen, bevestigde de heks haar eerder gedane zegen over mij.

Een twijfelachtige eer.

Epiloog

Binnen een jaar na deze beproeving overleden al mijn vrinden aan de meest beschamende aandoeningen die hier niet nader genoemd hoeven maar waarbij volstaan kan worden met vertellen dat het vooral hun vaandelstokken betrof. Vol schaamte en verdriet stond ik tussen hun beduusde weduwen in, nauwelijks opgewassen tegen de verwijtende blikken die leken te vragen : “Wanneer ga jij?”

Nog tweeënveertig jaar daarna overleed mijn lieve Maartje met een droeve zucht in ons bed. Ook dit is alweer bijna twintig jaar geleden. Moet ik u nog vertellen over mijn leeftijd? Neen, u kunt het uit het voorgaande destilleren. Ik moet opnieuw verhuizen, voor de zoveelste keer, voordat ook in de buurt waar ik heden mijn domicilie heb begint op te vallen dat die kerel maar niet ouder lijkt te worden, terwijl alles en iedereen ‘s levens verval krijgt toebedeeld.

En des avonds, als ik alleen naar het plafond lig te staren omdat ik reeds lang de hoop heb losgelaten langer dan een uur achtereen te kunnen slapen, verschijnt het gelaat van de oude, stinkende heks aan mij. En hoezeer ik mij ook probeer af te wenden: het beeld brengt mij telkenmale in vervoering en dwingt mij tot nader manueel contact met mijn evenzeer jong gebleven buks, tot – zoals elke nacht – minstens vijf keer het wonder Gods zich aan mij heeft voltrokken en de lakens druipen van het plakkerig semen: getuigen der vervloeking van de woudheks.

Wat mij het meest beangstigt is niet het alleen overblijven, of het nimmer ouder kunnen worden: daar ben ik aan gewend inmiddels. Neen, waar ik werkelijk voor vrees is mijn nog immer toenemende drang de woudheks opnieuw te bezoeken en haar tot de mijne te maken. Ik besef dat ik deze drang niet lang meer zal kunnen weerstaan.

Binnenkort zal ik waarschijnlijk gaan, en ik vrees met grote vreze.

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *