De zoon

De zoon in het schuimIk zat op het terras van café Schuim toen mijn telefoon ging. ‘Burak,’ las ik op het scherm. Ik had hem die ochtend nog gezien. Zoals altijd lag hij languit op de bank naar een Turkse soap te staren. Met dode ogen, alsof hij eigenlijk met andere dingen bezig was. Hij had nog wel ‘goedemorgen’ gezegd, maar het leek er met tegenzin uit te komen.

‘Hallo?’ vroeg ik.
‘Hoi Tom, met Burak.’
‘Ha.’
‘Hoe gaat het met je?’
‘Goed hoor.’
‘Wat ben je aan het doen, Tom?’
‘Ik zit op een terras. Ik drink een biertje.’
‘O, dat is leuk, Tom. Een biertje drinken op een terras is leuk. Heel veel mensen doen dat in de stad hè, Tom. Ik zie dat weleens als ik er met mijn auto doorheen rijd.’

Mijn huisgenoot had een wat ongearticuleerde spraak. Hij leek geen controle te hebben over de toonhoogte. Zijn woorden bungelden op en neer als aan een elastiek. Bij onze eerste ontmoeting dacht ik dat hij dronken was, maar hij praatte altijd zo. Ik was er inmiddels aan gewend geraakt. Net als aan dat ge-Tom van hem.

‘Tom?’
‘Ja?’
‘Mijn zoontje is hier. Heb je zin om een kopje koffie te komen drinken?’
Ik kende zijn zoontje alleen van de foto’s op de teeveekast. Burak had het vaak over hem, maar om de een of andere reden kwam hij nooit langs. Het had iets te maken met de moeizame relatie met zijn ex-vrouw.
‘Mijn zoontje is heel belangrijk voor me, Tom,’ ging Burak verder. ‘Ik wil dat hij goed terechtkomt. Dat hij niet met de verkeerde mensen omgaat. Ik wil niet dat hij met Turkse kinderen speelt of in Turkse café’s komt. Aydin heeft nu de leeftijd dat hij verkeerde vrienden kan maken, Tom. Ik moet hem daarom een beetje in de gaten houden.’

‘Hoe oud is je zoontje?’
‘Dertien, Tom.’
Wat moest ik met die informatie? Alsof de leeftijd van het zoontje van doorslaggevend belang was voor mijn keuze of ik koffie kwam drinken of niet.
‘Ja, is goed,’ zei ik daarom maar.
‘Hoe laat ben je hier?’
‘Over een half uurtje?’
‘Over een half uurtje is goed, Tom.’
‘Oké, tot zo.’
‘Tot zo, Tom.’

Burak liep driftig op en neer met een sjekkie tussen zijn vingers. Op de bank zat een jongen in trainingspak. Hij keek naar een tekenfilm. Dragonball Z.
‘Hoi,’ zei ik. De jongen groette terug.
‘Dit is mijn zoon, Tom.’
‘Ah.’ Ik gaf de jongen een hand. De jongen zag er zorgeloos uit. Een contrast met Burak, die een zeer ernstig gezicht had opgezet.
‘Aydin wil ook journalist worden, Tom. Wat moet hij daarvoor doen?’

Burak keek me indringend aan. Ik nam een slok koffie en nam de situatie snel in me op. Aydin verdronk in de teevee. Op tafel stonden drie roomsoezen. Misschien om te vieren dat Burak een echte carrièrecoach aan de haak had geslagen voor zijn zoon.

Ik legde uit dat het moeilijke tijden waren voor journalisten. Dat er overal werd bezuinigd. ‘Met de vakbladen gaat het nog wel goed,’ zei ik. ‘Maar de plekken die daar vrijkomen, gaan meestal naar mensen met ervaring. Beginnende journalisten komen nauwelijks aan de bak.’

Het was een opvallend coherent verhaal. Zeker gezien de vele biertjes die ik zojuist achterover had geslagen in de volle zon. Of het klopte wist ik niet. Ik had me al jaren niet meer verdiept in de journalistieke arbeidsmarkt.

Burak keek me angstig aan en draaide zich naar zijn zoon. ‘Hoor je dat, Aydin?’
Het leek Aydin weinig te kunnen schelen. Zijn ogen waren gericht op de teevee waar twee brede tekenfilmfiguren met punkhaar achter de hendels van een ruimtevaartuig zaten.
‘Mijn lerares denkt dat ik een goede journalist kan worden,’ zei hij zonder van de teevee op te kijken. ‘Dat heeft ze een paar keer tegen me gezegd.’

Ik prikte in mijn roomsoes. Ooit wilde ik zelf ook journalist worden. Tot ik erachter kwam dat elk krantenbericht een interpretatie was van de werkelijkheid. Ik wilde niet interpreteren. Ik wilde de wereld tonen zoals hij was. Daarom besloot ik cameraman te worden. Ik zou dingen laten zien die de krantenlezer nog nooit had gezien.

Bon, de carrièreswitch had nochtans weinig zoden aan de dijk gezet. Eigenlijk kon je het ook geen carrièreswitch noemen. Van een carrière was goedbeschouwd nauwelijks sprake. Ik stond nog steeds elke avond achter de bar om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen.

Men was blijkbaar nog niet klaar voor de naakte werkelijkheid. Dat was althans wat ik zei als mensen erop doorgingen. Ik probeerde dat verhaal ook aan mezelf te verkopen, maar het wilde er niet meer in. Zelf was ik alweer een paar stappen verder. Ik geloofde niet meer in de naakte werkelijkheid. Zelfs mijn camera was gekleurd. Was ík het immers niet die bepaalde waar ik mijn lens op richtte? En lagen daar ook niet allerlei vooroordelen aan ten grondslag?

Mocht iemand nog eens een boek over mij schrijven, dan zou hij dit mijn postmoderne periode noemen. Het zou het meest zwartgallige hoofdstuk van de biografie worden. Titel: de existentiële twijfels van een getroebleerde geest. Terwijl het in wezen metafysische twijfels waren natuurlijk. Hoe dan ook, zover was het nog lang niet. Zolang het niet zwart op wit stond, was er nog een uitweg.

‘Weet je,’ zei ik. ‘Als je ergens echt goed in bent, kom je vanzelf bovendrijven.’ Het waren bemoedigende woorden die misschien meer voor mezelf bedoeld waren dan voor Aydin. Toch leek ook Aydin er kracht uit te halen. Even nam hij de tijd om mij in zich op te nemen. Ik probeerde hem zo vriendelijk mogelijk aan te kijken. Diep in zijn ogen. Zelfverzekerd en kwetsbaar tegelijkertijd. Aydin glimlachte voorzichtig terug. Daarna richtte hij zich weer op de teevee.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *